Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een as vast verbonden. Deze as kan in de bus B van een drievoet D gedraaid worden, terwijl deze drievoet door de stelschroeven S op de tafel van het

FIG. 1.

Waterpasinstrument met vasten kijker.

statief U horizontaal kan worden gesteld. Worden kijker en waterpas gedraaid, dan bewegen zij zich dus*inleen horizontaal vlak. De waterpasverrekij-

Fig. 2.

Waterpasinstrument met draaibaren kijker.

ker in dezen*vorm heeft het voordeel van eenvoud en duurzaamheid. Hij wordt voor technische doeleinden gebruikt bij opnamen van dwarsprofielen, aanleg van wegen enz. Wordt, zooals in de geodesie, een^grootere mate van nauwkeurigheid vereischt,

dan maakt men gebruik van het w a t e r p a s i n -

strument mei ara a maren nijncr fficr. 2). De kiiker F rust in de tappen IJ op 4 pris¬

ma's van agaat en kan in deze pannen 180° om zijn

as gedraaid worden. Daardoor Kunnen commauefouten geëlimineerd worden. Het waterpas L is een reversie-waterpas, het wordt met de hoogteschroef E ingesteld. Verder is een horizontale cirkel H aangebracht, waarop met een loupe de horizontale ver¬

plaatsing Van net instrument woruu aigeieaen. ua opstelling van het instrument op den drievoet is dezelfde als die van het voorafgaande. Alleen is aan den drievoet nog een dooswaterpas D aangebracht, dat het mogelijk maakt het instrument bij benadering snel horizontaal op te stellen.

Naast den waterpas verrekijker is de waterpaslat het voornaamste waterpasinstrument. Het is een houten lat ter lengte van 3—5 m. bij een breedte van 10 en een dikte van 2—3 cm. Aan den eenen kant draagt zij een centimeterverdeeling in zwart en wit of rood en wit, .aan den anderen een dooswaterpas om haar loodrecht te kunnen stellen. Is de afstand zoo groot, dat de waarnemer de schaalverdeeling niet meer kan waarnemen, dan wordt een schijfplaat gebruikt, waarover een ronde of vierkante aanlegschijf kan worden verschoven. Aan de voorzijde is de aanlegschijf verdeeld in 4 gelijke, maar verschillend gekleurde velden, op wier gemeenschappelijk hoekpunt wordt geviseerd.

Waterpassen of Nivelleerm is bij het landmeten de benaming van het bepalen van het hoogteverschil van verschillende punten langs trigonometri-

schen of geometrischen weg. Het trigonometrisch waterpassen (zie Hoogtemeting) is alleen doeltreffend voor kleine afstanden; voor grootere laat de nauwkeurigheid van lengte- en hoekmetingen te wenschen over. In zulke gevallen maakt men daarom uitsluitend gebruik van het geometrisch waterpassen onder tospassing van de beste en fijnste waterpasinstrumenten (zie aldaar).

De taak van het geometrisch waterpassen bestaat in het aangeven van een horizontale vizierlijn en het bepalen van den verticalen afstand van twee punten tot deze lijn door rechtstreeksche meting. Men gaat daarbij op twee verschillende wijzen te werk.Óf men stelt het waterpasinstrument boven het ééne punt op en richt de vizierlijn naar het andere (p e rim t er me t li o d e), óf men gaat uit van een tusschen beide gelegen punt en richt de vizierlijn eerst op het ééne en daarna op het andere punt (centrale methode). In het eerste geval wordt het instrument in liet eindpunt van de waterpaslijn opgesteld en de afstand van den bodem tot de horizontaal ge¬

stelde kijkeras gemeten. Daarna wordt op de waterpaslat gevizeerd en deze afgelezen. Bij stijgend terrein wordt het hoogteverschil der beide punten gegeven door het verschil van de instrumenthoogte en de lengte, welke op de lat is afgelezen; bij

Sluiten