Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dalend terrein wordt de lengte, afgelezen op de lat, verminderd met de instrumentshoogte. Wordt gewerkt volgens de centrale methode en worden dus twee latten afgelezen, dan is het hoogteverschil gegeven door het verschil van deze beide aflezingen. De laatste methode is eenvoudiger, werkt sneller en geeft nauwkeuriger resultaten. Zij wordt daarom thans het meest gebruikt. Behoeft alleen het hoogteverschil van een aantal punten gemeten te worden, dan is de kennis van hun onderlingen afstand overbodig. Heeft echter het waterpassen ten doel om de gedaante van het terrein te leeren kennen, dan moet de lengte van de waterpaslijn gemeten worden. Wordt, zooals bij de bepaling van de hoogteverhoudingen van een landstreek of ook van een werelddeel, een groote mate van nauwkeurigheid vereischt, dan voert men zoogenaamde nauwkeurigheidswaterpassingen uit. Een grootsch voorbeeld daarvan is de „Europeesche graadmeting", waartoe Zwitserland in 1864 het voorbeeld gaf. De verschillende metingen worden herhaaldelijk verricht, terwijl men bovendien, om de mate van nauwkeurigheid nog te verhoogen, in zoogenaamde netten werkt door zorg te dragen, dat het eindpunt van de waterpassing samenvalt met het uitgangspunt.

Waterpest (Elodea Canadensis Rich., Anacharis Alsinastrum Bap.) is de naam van een waterplant uit de familie der Hydrocharideeën. Men vindt haar in Noord-Amerika van Canada tot in het Z. der Unie, westwaarts althans tot aan den Missisipi. In den nieuweren tijd is zij naar Europa overgebracht en hier en daar, ook in ons land, in rivieren en kanalen verspreid. Zij bezit een zeer brozen, vertakten, draadvormigen stengel, voorzien van lange, in het slijk zich uitbreidende wortels. De kleine, langwerpige, afgeknotte bladeren zijn zeer fijn getand, op regelmatige afstanden bij drietallen kransgewijs geplaatst en blijven steeds onder water. De plant is tweehuizig; men vindt in ons werelddeel enkel vrouwelijke planten. De bloemen zijn okselstandig en licht karmozijnrood. Dit gewas heeft een zeer weligen groei en wordt wel eens met den naam van „plantaardige hydra" bestempeld. Doch al is het ook, dat het in ondiepe wateren hinderlijk kan worden aan de scheepvaart en visscherij en zelfs het voorkomen der meren verandert, toch is de vrees, die men koesterde voor zijn belemmerenden invloed, zeer overdreven. Deze plant dient tot voedsel voor de watervogels,verleent een schuilplaats aan het kuit der visschen en wordt met goed gevolg als meststof en zelfs als veevoeder gebezigd. Zij houdt het water, waarin zij groeit,helder en mag dan ook in geen goed ingericht aquarium ontbreken.

Opmerkelijk is het, dat in geheel Europa slechts de vrouwelijke plant voorkomt. Ook in Amerika schijnt deze vorm de overhand te hebben, maar men treft aldaar ook tweeslachtige individuen aan, voorzien van goed ontwikkelde meeldraden. Uit deze omstandigheid blijkt derhalve, dat in Europa de Elodea geen zaden, geschikt tot voortplanting, kan voortbrengen en zich niet anders kan vermenigvuldigen dan door splitsing of deeling.

Waterplanten (Hydrophyten, Hydrophileri) noemt men alle in het water levende lagere of hoogere planten, waarvan bouw en levensverrichtingen nauw samenhangen met de eigenaardigheden der standplaats. Ten deele zijn het kryptogame gewas¬

sen, dikwijls van mikroskopische afmetingen. De in het water levende vaatplanten verdeelt men in de eerste plaats in ondergedompelde en drijvende waterplanten. Die van de eerste groep, waartoe naast de talrijke zoetwaterplanten ook de zeephanerogamen behooren, vertoonen de neiging om lintvormige bladeren te vormen, waarvan de cellen van de opperhuid chlorophyl bevatten. De wortels ontbreken in deze groep geheel (Ceratophyllum) of zij bestaan uit lange en onvertakte nevenwortels, welke zich aan de knoopen ontwikkelen. In tegenstelling met de ondergedompelde, bezitten de drijvende waterplanten, welke bovendien alleen in zoetwater voorkomen, ovale of niervormige, uitgespreide bladeren, die op hun bovenzijde een bouw van luchtbladeren vertoonen. De wortels zijn goed ontwikkeld en kunnen vrij in het water drijven (Lemna). Het meerendeel der drijvende waterplanten ontwikkelt een rhizoma. Aan de eigenlijke waterplanten sluiten zich enkele soorten, zooals Alisma, Sagittaria, Sparganium, enkele soorten van Ranunculus, Calla enz* aan, welke men zou kunnen samenvatten onder den naam van Oeverplanten en die in gevallen van overstrooming somtijds eveneens drijvende bladeren vormen.

De waterplanten overwinteren gedeeltelijk door rhizomen of knollen, gedeeltelijk doordat zich bepaalde gedeelten van de plant, terwijl de overige verrotten, ontwikkelen tot winterknoppen, die zich in het slijk vastzetten en het volgend voorjaar door spruitvorming weder het aanzien aan nieuwe planten geven. De bevruchting komt meestal boven of op den waterspiegel tot stand, bij sommige soorten ook onder het water. De vruchten der waterplanten rijpen gewoonlijk onder water. Dikwijls bezitten ze een zeer harde inwendige schaal.

De geografische verspreiding van de zoetwaterphanerogamen volgt in het algemeen de waterwegen van de laaglanden. Slechts enkele soorten dringen in het hoogebergte door. De bloemplanten, welke in zee voorkomen (zeegrassen, enaliden), worden doorgaans langs de kustlijn aangetroffen.

Waterpokken (Varicellen) is een ongevaarlijke kinderziekte, die door infectie ontstaat en met de gewone pokken niets te maken heeft. Zij wordt aanvankelijk gekenmerkt door kleine, roode, van elkander gescheiden vlekken, waarop zich na eenige uren blaasjes ontwikkelen, die slechts zelden veretteren en, nadat zij geheeld zijn, geen litteekens achterlaten. De tijd van de incubatie duurt ongeveer 12—13 dagen; somtijds gaan aan het uitbreken van den uitslag geringe ziekteverschijnselen vooraf. De blaasjes breiden zich onregelmatig uit, ontstaan meestal het eerst in het gezicht en komen het talrijkst op de borst en den rug voor. Zij komen in 6— 12 uren geheel tot ontwikkeling en drogen op den 4d™ dag in. Door het ontstaan van nieuwe blaasjes kan de ziekte echter 14 dagen en langer duren. Koorts komt meestal niet voor.

Waterpolo. Zie Polo.

Waterproef. Zie Ordalia.

Waterpijp. Zie Rooktoeslellen.

Waterranunkel. Zie Boterbloem.

Waterraderen en Tnrbines (zie de plaat) zijn toestellen om de kracht van het stroomende water dienstbaar te maken aan technische doeleinden. Zulk een toestel bestaat uit twee gedeelten; den waterloop en het waterrad.De eerste moet voldoen aan

Sluiten