Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drijf). Ook hier speelt, zij het ook in geringeren omvang, de biologische reiniging een rol. Ofschoon een volledige zuivering van de zwevende stoffen door mechanische reiniging niet mogelijk is, geeft zij toch bij voorzichtige toepassing bevredigende uitkomsten. De scheikundige reiniging maakt als algemeen neerslagvormend middel gebruik van kalk in den vorm van poeder of melk. Zij schijnt aanleiding te geven tot de vorming van onoplosbare koolzure kalk, welke bij het neerslaan een groote massa zwevende stoffen mede neemt. Dikwijls gebruikt men naast kalk ook nog een metaalzout: ijzervitriool, aluminiumsulfaat, magnesiumverbindingen enz., waardoor onoplosbare oxyden gevormd worden, welke liet bezinken ondersteunen. Ook gebruikt men broomkalium of chloorkalk, ook wel metaalzouten, vooral ijzersulfaat, ijzerchloried en kopervitriool, alleen. Nadat het afvalwater zoo goed mogelijk met het neerslagmiddel is vermengd, wordt het in klaarbekkens met rast of continubedrijf (dit laatste bijv. te Frankfort a. d. Main en te Wiesbaden) geleid. Ook wordt het van onderaf in klaarbronnen gevoerd, zoodat het over den bovenrand wegstroomt, terwijl de neerslag op den bodem bezinkt en door pompen wordt verwijderd. (Neustadt in OpperSleeswijk). Rothe verbond daarmede nog een klaartoren, die als hevel is ingericht (Essen, Potsdam). Gewoonlijk veroorzaakt de verzamelde neerslag moeilijkheden. Zijn massa is n. 1. groot, zijn bemestingswaarde gering.

Het resultaat van deze reiniging is, wat de helderheid van het water betreft, bijna altijd voldoende. Ook de kiemen zijn grootendeels gedood. Moore vond, dat met 1 dl. koperviriool op 100 000 dln. water cholera- en typhuskiemen in 4—5 uur afsterven. Bij deze concentratie bevat 1 L. water 0,0022 gr. koper, wat op het menschelijk organisme geen invloed heeft. Door broom en chloor worden wel is waar niet alle kiemen gedood, maar zij worden toch in haar ontwikkelingsvermogen zoodanig geschaad, dat het water zonder gevaar kan worden gebruikt. De opgeloste organische stoffen en de hoeveelheid ammoniak zijn echter niet verminderd. De eerste kunnen zelfs een vermeerdering ondergaan, daar er verschillende door de kalk in oplosbare verbindingen worden omgezet. Wordt later de kalk in waterarme rivieren door het koolzuur der lucht neergeslagen, dan kan dus opnieuw rotting optreden.

De reiniging van afvalwater van steden langs scheikundigen weg is tamelijk duur; haar kosten bedragen ruim 0,50 gld. per hoofd en per jaar (zie ook Afvalwater). Ten slotte heeft men gepoogd afvalwater door electrolyse te reinigen. Het wordt in bekkens gestuwd, waarin gietijzeren platen hangen. Tusschen deze loopt een sterke electrische stroom. Uit het chloor, ontstaan door de electrolyse van het opgeloste keukenzout, en het ijzer vormt zich ijzerchloried, dat de reiniging volvoert. Afgewacht dient te worden of deze reiniging, welke voorloopig nog te duur is, ook in het groot tot gunstige uitkomsten leidt.

Waterrflst (Hydropyrum L.k.)t ook waterhaver en Tuscarorarijst geheeten, is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Gramineeën. De eindstandige aar is sterk vertakt. De aartjes bevatten éen bloem. De gesteelde bloemen zijn eerst tweeslachtig en daarna éenslachtig, zoodat de onderste

mannelijk en de bovenste vrouwelijk zijn. Het vruchtbeginsel is zittend, onbehaard en langwerpig, de stamper zeer kort en de vrucht vrij, rolrond met eene overlangsche groef. De gewone waterrijst (H, palustre Lk.) groeit in Canada en kan ook in Europa met goed gevolg worden verbouwd.

Waterschap is de algemeene naam voor de lichamen, aan wie de zorg is toevertrouwd voor het onderhoud van dijken en andere waterkeeringen, voor de instandhouding van een behoorlijke afwatering van zeker complex van landerijen en voor andere daaraan verwante belangen, zooals onderhoud van kanalen, bruggen, wegen enz. Waterschap is de algemeene benaming; bijzondere benamingen zijn polder, hoogheemraadschap, heemraadschap (zie Heemraad). De waterschappen zijn reeds van oude dagteekening. Hun oprichting is gewoonlijk uitgegaan van particulieren; de landeigenaren (ingelanden) vereonigden zich tot het aanleggen van zee- en rivierdijken, sinds de 16e eeuw ook tot inpoldering van plassen, en kregen daartoe vergunning van de Overheid. Onder de Republiek was de zelfstandigheid der waterschappen zeer groot en het toezicht van de Overheid slechts zwak. Nadat men in den Franschen tijd vergeefsche pogingen gedaan had om tot een goede regeling van het waterstaatsbestuur te geraken en nu eens in te ver gedreven centralisatie, dan weer tot te groote decentralisatie was vervallen, heeft men in den loop der 19de en 20ste eeuw in de Grondwet en verschillende andere wetten de beginselen der hedendaagsche waterschapswetgeving neergelegd. Omstreeks het jaar 1830 is een levendige strijd gestreden over de vraag, of de waterschappen geheel en al als publiekrechtelijke lichamen moesten worden beschouwd, dan wel of zij, ofschoon met publiekrechtelijke bevoegdheden bekleed, toch in sommige opzichten hun privaatrechtelijk karakter van vereeniging van grondeigenaren hadden behouden. De Grondwet van 1848 heeft voor de eerste opvatting, die van Thoriecke, partij gekozen. Volgens onze tegenwoordige Grondwet (art. 190) hangt de constitutie van de waterschappen af van de Provinciale Staten, die bevoegd zijn, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrichtingen en reglementen der waterschappen veranderingen te maken, waterschappen op te heffen, nieuwe op te richten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Hieruit volgt, dat volgens het tegenwoordige recht gronden onder een waterschap gebracht kunnen worden ook tegen den wil van den eigenaar. In de meeste provinciën heeft ieder waterschap zijn afzonderlijk door de Provinciale Staten vastgesteld reglement; in sommige provinciën bestaat daarnaast een algemeen reglement, waarin beginselen zijn neergelegd die voor alle waterschappen gelden. In de meeste waterschappen wordt het bestuur gekozen door de ingelanden. Volgens de wet van 10 November 1900 (Stb. no. 176), houdende algemeene regels omtrent het waterstaatsbestuur, worden evenwel van waterschappen, belast met verdediging tegen zeewater of opperwater der groote rivieren (met uitzondering van die welke alleen met keering van zomerwater belast zijn) de voorzitters en de leden van de dagelijksche besturen benoemd, geschorst en ontslagen door den Koning. Ook bij andere waterschappen kan het reglement het benoemen, schorsen en ontslaan van het bestuur aan den Koning opdragen. Het toezicht op de water-

Sluiten