Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waterspreeuwen (Cmclidae) is de naam van een uit ongeveer 15 soorten bestaand geslacht van levendige zangvogels uit de onderfamilie der Lijstervogels (Tumidae), welke de gematigde streken van de Oude en de Nieuwe Wereld bewonen. Hun bevedering is bruin zwart van boven en wit op de borst, de vleugels zijn kort, bijna overal even breed en sterk afgerond, de staart is kort en de pooten zijn lang en voorzien van lange nagels.

De bij ons inheemsche Waterspreeuw (Cinclus merula) is 20 cm. lang, kop en nek zijn vaalbruin, de borstzijde wit, de buik donkerbruin. Hij komt als standvogel aan alle stroomende wateren van Middel-Europa voor. Zijn voedsel bestaat in hoofdzaak uit insekten en hun larven. Hij bouwt zijn nest in holten aan het water, waarin het wijfje 4—6 zuiver witte eieren legt. Gewoonlijk broedt hij maar eenmaal per jaar, in April. Uit ieder broedsel komen in den regel niet meer dan 2, hoogstens 3 jongen.

Waterstaat beteekent in het algemeen de gesteldheid van den bodem met betrekking tot het water, maar in ons land meer in het bijzonder het college van rijksambtenaren (hoofdingenieurs, ingenieurs enz.), belast met de waterstaatszorg. Deze is hier te lande een belangrijke tak van staatszorg. Waterstaatszorg omvat niet alleen de zorg voor rivieren, kanalen, dijken, bruggen, afwatering van landerijen, maar ook voor wegen, verveningen, mijnen, kortom alles wat de gesteldheid van den bodem betreft. Men kan de waterstaatsbemoeiingen onderscheiden in beheer der waterstaatswerken en het toezicht op het beheer van anderen. Het beheer is gedeeltelijk bij het Rijk, gedeeltelijk bij provinciën en gemeenten, en voor een groot deel bij waterschappen (zie aldaar). Of en bepaald werk (bv. een weg) in beheer is bij het Rijk, bij een provincie, gemeente, waterschap of bij een particulier, hangt van allerlei bijzondere historische omstandigheden af; algemeene regelen of beginselen bestaan hiervoor niet. Wat het toezicht betreft, kent art. 189 der Grondwet aan den koning toe het oppertoezicht over alles wat de waterstaat betreft zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's Rijks kas of op een andere wijze gevonden. Daarnaast draagt art. 190 het toezicht over alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen eri veenpolders, op aan de staten der provinciën, met bepaling dat de wet het toezicht over bepaalde zaken aan anderen kan opdragen. Het toezicht wordt in de verschillende provinciën niet uitgeoefend door de Provinciale, maar door de Gedeputeerde Staten.

Vóór 1882 behoorde de provinciale waterstaatsdienst, wat het technisch gedeelte betreft, voor een groot deel tot het ressort van de rijksambtenaren, in 1882 kwam er een scheiding tot stand, zoodat thans elke provincie een afzonderlijken provincialen waterstaatsdienst heeft. In Drente en Limburg staat aan het hoofd van dezen dienst een ingenieur, in de overige provincies een hoofdingenieur. Bij koninklijk besluit van den 3del1 Juni 1903, gewijzigd bij koninklijk besluit van den 30ste" Mei 1908, is bepaald, dat de rijkswaterstaatsdienst onder de bevelen van den minister van Waterstaat den dienst omvat ten aanzien van: 1°. het verzamelen van gegevens voor de nauwkeurige kennis van den waterstaatstoestand des lands („algemeene dienst"); 2°.

aanleg, beheer en onderhoud van en toezicht over waterstaatswerken; 3°. het oppertoezicht over alles wat den Waterstaat betreft; 4°. de zorg voor de naleving der wetten en verordeningen, concessiën en vergunningen betreffende den Waterstaat; 6°. in het algemeen alle waterstaatsaangelegenheden van rijksbelang. De rijkswaterstaatsdienst betreffende de spoorwegen en mijnen is, evenals de dienst der landsgebouwen, onderwerp van afzonderlijke regeling.

Er zijn: een hoofdinspectie, twee inspectiën en elf directiën, verdeeld als volgt:

de algemeene dienst, eerste directie;

de groote rivieren, met uitzondering van de Maas boven de grensscheiding van de provinciën Limburg en Gelderland, tweede en derde directiën;

de provinciën:

Groningen en Friesland, vierde directie;

Drente en Overijsel, vijfde directie;

Gelderland en Utrecht, zesde directie;

Noordbrabant, zevende directie;

Limburg met de rivier de Maas, boven de grensscheiding van de provinciën Limburg en Gelderland, achtste directie;

Noordholland, negende directie;

Zuidholland, tiende directie;

Zeeland, elfde directie.

De eerste directie ressorteert onder de hoofdinspectie; de vierde, vijfde, negende, tiende en elfde directiën onder de eerste inspectie; de tweede, derde, zesde, zevende en achtste directiën onder de tweede inpectie.

De hoofdinspectie omvat het algemeen beleid en toezicht betreffende den dienst en is opgedragen aan een hoofdinspecteur-generaal van den rijkswaterstaat, door wien bovendien het onmiddellijk toezicht op de eerste directie wordt uitgeoefend. In elke inspectie is het onmiddellijk toezicht op de overige directiën opgedragen aan een inspecteurgeneraal van den rijkswaterstaat. In elke directie is de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken opgedragen aan een hoofdingenieur-directeur van den rijkswaterstaat. De dienst in elke directie wordt voorts, onder leiding van den hoofdingenieur-directeur, uitgeoefend door ingenieurs belast met arrondissementsdienst en door de onder deze in elk arrondissement geplaatste opzichters voor de dienstkringen, waarin elk arrondissement door den minister van Waterstaat wordt verdeeld.

De dagelijksche leiding en uitvoering van zaken in de tweede en derde directiën kan worden opgedragen aan een hoofdingenieur-directeur. De genoemde hoofdambtenaren worden bijgestaan door verdere ambtenaren als: ingenieurs, tijdelijke ingenieurs, adjunct-ingenieurs, tijdelijke adjunct-ingenieurs, opzichters, adjunct-opzichters en buitengewone opzichters, havenmeesters en sluismeesters bij de groote kanalen en zeehavens, bureelambtenaren, ambtenaren bij den algemeenen dienst en bakenmeesters en voorts door beambten als: haven- en sluismeesters bij de kleine kanalen en havens, sluis- en brugwachters, rivier- en kanaalbeambten, met de verder noodige beambten. Tot adjunct-ingenieur van den rijkswaterstaat zijn alleen benoembaar zij, die het diploma van civiel-ingenieur volgens de wet hebben verkregen en zullen hebben voldaan aan een vergelijkend onderzoek. Tot opzichter van den rijkswaterstaat zijn alleen benoembaar zij, die een diploma

Sluiten