Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waterverontreiniging eerder verbeterd dan slechter | n ■wordt. Dit kan wellicht daardoor verklaard worden, d dat een sterkere verontreiniging het gebruik van het u verontreinigde water voor huishoudelijke doelein- ïi den tegengaat. In tijden van epidemieën blijkt het t weerstandsvermogen in zulke streken echter gedaald r te zijn.

De eerste verschijnselen van sterke waterveront- c reiniging deden zich omstreeks 1850 voor in Enge- 1 land, met name in den Theems bij Londen. De daar- -j door veroorzaakte stank was zóó groot, dat herhaalde malen zittingen van het Parlement, welke i plaats hadden in een gebouw, dicht bij den Theems 1 gelegen, moesten onderbroken worden. Dezelfde verschijnselen vertoonden de Irwell (Manchester), < de Irk, de Mersey enz. Even ondraaglijk werd eenige { jaren daarna de toestand van de Seine te Parijs. In i Dnitschland zijn de Wupper en de Leine berucht. i Daar de middelen om het afvalwater meer of \ minder te reinigen (zie Waterreiniging) bekend zijn, hebben enkele landen wettelijke voorschriften gemaakt omtrent het loozen van afvalwater op de «penbare wateren. Zoo bestaat in Engeland sedert 1868 een wet, welke den afvoer van verontreinigd water op de rivieren toelaat, als de verontreiniging met bepaalde stoffen een zekere grenswaarde met overschrijdt. De hoogte van deze grens hangt af van het gebruik, dat van het rivierwater wordt gemaakt.Dewettelijkevoorschriftenin België enFrankrijk zijn eenerzijds onvoldoende, van den anderen kant worden zij niet gehandhaafd. De Zwitsersche Bondswet van 1886 richt zich alleen tegen verontreinigingen, schadelijk voor de visscherij. In Dnitschland bezit alleen Württemberg een afzonderlijke wet op do waterverontreiniging (1900). In de andere bondsstaten is deze materie door algemeene waterwetten of bij bijzondere verordeningen geregeld. Bij ons te lande werd een staatscommissie benoemd tot voorbereiding van maatregelen tegen de verontreiniging van openbare wateren. Zij bracht een rapport uit, naar aanleiding waarvan het ministeneKuyper een wetsvoorstel tegen hinderlijke waterverontreiniging indiende. Dit werd echter onder het ministerie- de Meester weder ingetrokken.

Waterverven noemt men de verven, die met zuiver water of met water, waaraan gom, lijm, honing of andere kleefstoffen zijn toegevoegd, worden aangemengd. Het schilderen in waterverf geschiedt met doorschijnende kleuren (aquarel) en met dekverven (gouacheschilderkunst); beide manieren kunnen worden vereenigd, door over de dekverf met doorschijnende waterverf heen te wasschen. De meeste teerverfstoffen zijn waterverven. Duurzaam lijn echter alleen die minerale verven, welke ook als olieverf duurzaam zijn.

Watervlooien behooren tot de orde der J alcsprietigm (Cladocera), onderorde van de Schaaldieren (Crustacea). Van haar tien pooten zijn de voorste 8 bladvormig en met lange wimpers bezet; deze dieren zijn in dunne, hoornachtige, aan de rugzijde geopende schalen besloten, De meest bekende van hen is de getakte waterlvoo (Daphnia pulex L.), in onze stilstaande wateren te vinden. Zij heeft een enkelvoudig oog op het midden van den kop, een vogelbekachtigen snuit met 4 sprieten, van welke de beide grootste zich in twee takken verdeelen. De eieren liggen op den rug van het wijfje onder de doorzichtige schaal; in den zomer worden zij uitgestooten,

laar tegen den herfst groeit in de eierenholte een oorschijnend orgaan, de zadel genaamd, hetwelk it twee schalen bestaat, waarin zich wederom kleie schalen bevinden met eieren, die den winter overlijven. De zomereieren ontwikkelen zich partheogenetisch, de wintereieren vereischen een voorafaa ide bevruchting. De zomereieren hebben dunne, ie wintereieren dikke schalen. Deze laatste kunnen ndrogen en bevriezen zonder hun kiemkracht te verliezen. In de lente zijn de watervlooien rood van [leur, en hun groot aantal in slooten en poelen vermdert het water schijnbaar in bloed. Zij vormen het voornaamste voedsel voor jonge visschen.

Watervogels (Natatores, Palmipedes) is een irde der vogels, die zich onderscheidt door een lan;en hals, korten snavel, korte pooten en zwem- of ■oeivoeten. Ofschoon zij hun voedsel hoofdzakelijk n het water vinden, leven zij daarin toch niet onafgebroken. Een groot gedeelte zijn zelfs uitstekende Vliegers. Op het land bewegen zij zich door de korte, rer naar achteren staande pooten moeilijk. Daarjntegen zwemmen en duiken zij voortreffelijk. De snavel is gedeeltelijk hoog en scherp, gedeeltelijk breed en vlak; bij één familie is hij week. De vleugels zijn somtijds geheel rudimentair geworden; m andere gevallen zijn zij zeer lang en spits. De staart is meestal kort. Alle watervogels bezitten een groote stuitklier om het dichte gevederte te vetten. Zij leven meestal in scharen aan de kusten en bij binnenwateren. De broedplaatsen zijn gewoonlijk eveneens gemeenschappelijk. De eieren worden in holten in den bodem of in eenvoudige nesten gelegd. Voor den mensch hebben zij waarde door hun vleesch, eieren, dons en mest (guano). Van de 8 familiën komen er 6 overal op aarde voor; de andere 3 leven in de N. of Z. lijke gematigde zone. Wij noe-

men; ,

1. Zelfsmveligen (Lamellirostres), waartoe de Ganzen (Anservnae), de Eenden (Anatinae), de Zwanen (Cygninae) enz. behooren;

2. Meeuwen (Laridae), met lange, spitse vleugels, korten hals en dikwijls gevorkten staart. Zij komen voor in 18 geslachten met ongeveer 130 soorten

' 3. Stormvogels (Procellariidae), in bouw gelijkend op de Meeuwen. 6 geslachten met ongeveer 100 soorten worden overal op aarde aangetroffen.

4. Pelikaanvogels of Roeivoetigen (Pélecamaae, Steganopodes), groote vogels met roeivoeten, kleinen kop, meestal lange vleugels, langen snavel en korte pooten. 6 geslachten komen m 100 soorten overal op aarde voor. . ^ ,, .

5. Pingoeins (Iwipennes, Spheniscidae), met Kleinen kop, ronde vleugels, korten staart, korte, ver naar achteren staande zwemvoeten en langen, spitsen snavel. Zij vliegen niet, maar duiken goed. In de Z. lijke poolstreken, de Z. lijke gematigde zone, aan de kust van Peru en op de Galapagoseilanden komen 3 geslachten met ongeveer 18 soorten

voor. ... i

6. Zeeduikers (Colymbidaè), in het algemeen gelijkend op de Pingoeins. Zij kunnen echter vliegen. 2 geslachten worden in ruim 30 soorten overal op aarde aangetroffen.

7. Alken (Aleidae), met korte vleugels, stevigen, korten snavel en korten staart. De achterteen ontbreekt of is rudimentair. Als plaatsvervangers van de Pingoeins komen in de N. lijke poolstreken 7 geslachten met ongeveer 28 soorten voor.

Sluiten