Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het geheel omvat de orde der Watervogels 80 geslachten met ruim 660 soorten.

Watervoorziening heeft ten doel het water te leveren, dat benoodigd is als drinkwater en voor industriëele doeleinden. Ontstaan uit atmosferischen neerslag, wordt een gedeelte van dit als regen, sneeuw, dauw enz. afgescheiden water weder door de zonnewarmte verdampt, een ander gedeelte, oppervlaktewater geheeten, wordt door beken, rivieren enz. opgenomen, terwijl een derde gedeelte eindelijk in den bodem zakt, waar deze doorlatend is en dan met den naam van grondwater (feitelijk zakwater) bestempeld wordt. Dit filtreerende water dringt steeds dieper in den bodem, totdat het op een ondoordringbare laag komt of op de oppervlakte van een in den bodem aanwezigen grondwaterstroom stoot. Treedt deze langs natuurlijken weg aan de oppervlakte, dan spreekt men van bronwater, heeft het langs kunstmatigen weg, bijv. door aanboring, plaats, dan heet het putwater.

Terwijl wij voor het verschil in natuurkundige eigenschappen tusschen oppervlakte- en grondwater verwijzen naar het artikel Water, merken wij hier op, dat het eerste, daar het smakeloos is en door aanraking met de bovenste bodemlagen groote kans loopt om verontreinigd te worden, als drinkwater minder geschikt is. Het grondwater daartegen ondergaat in den bodem een zuivering. De verticale snelheid, waarmede het in den bodem zakt, de zoogenaamde filtreersnelheid, bedraagt volgens onderzoekingen van Hoffmanslechts 1,2—2 m. per jaar. Daarmede samen hangt de volkomen afzetting, ontleding of vernietiging van organische stoffen en bacteriën, welke in het water voorkomen. Frankel vond in de bovenste aardlagen 100000—400000 bacteriën perkub. cm., terwijl op een diepte van 1,5 m. reeds steriele lagen worden aangetroffen. Voorwaarde is echter, dat de bodemlagen fijnkorrelig en samenhangend zijn. Spleten en goten kunnen bacteriën met het zakwater in den grondwaterstroom brengen. De typhusepidemieën van 1872 te Lansen en Beverley (Yorkshire), alsmede die te Havre in 1887 en 1888 moeten daaraan worden geweten. Het meest zuiverend werkt een veenbodem en daarna akkergrond; zandbodems absorbeeren minder goed, terwijl grofzand- en kiezellagen het geringste effect hebben.

Na het voorgaande is het duidelijk, dat men, indien mogelijk, zijn toevlucht neemt tot grondwater. Nopen de omstandigheden tot het gebruik van oppervlaktewater, dan moet dit eerst aan een kunstbewerking worden onderworpen, vóór het als drinkwater geschikt mag worden geacht. Deze bestaat veelal in een zandfiltratie, waardoor van het oppervlaktewater een kunstmatig grondwater wordt gemaakt. Voor de technische bijzonderheden daarvan verwijzen wij naar het artikel Waterleiding. Meer in het groot bereikt men ditzelfde, door met water uit rivieren, beken enz. weiden te bevloeien en het water daarna in draineerbuizen op te vangen. Neemt men de maximale filtreersnelheid van '2 m. per jaar aan, dan bedraagt deze per dag 5 mm. 1 v. m. bodem oppervlakte kan dus per 24 uur 10X10 X 0,05 = 6 L. water reinigen. Voor een dagelijksch verbruik van 5000 L. is dus reeds een vloeiweide van 1 v. km. noodig. Toch schijnen dergelijke groote oppervlakten voor de praktijk geen bezwaar op te

leveren. Een hiermede verwante wijze van watervoorziening werd in 1901 voor Amsterdam door den heer Pennimk voorgeslagen. Vanaf Schoonhoven zou Lekwater over een afstand van 70 km. naar daarvoor geschikte duinpannen van de tegenwoordige prise d'eau gestuwd worden. Daar zou het in den bodem zinken en in de waterafvoerwegen worden opgevangen.

De watervoorziening door grondwater kan tot 3 verschillende vormen worden teruggebracht: 1°. duinwaterleiding, het meest gunstige geval, daar de waterdragende aardlaag in de duinen dicht aan de oppervlakte ligt. Het grondwater wordt opgevangen in vaak nagenoeg horizontaal liggende waterafvoerwegen, die open o'f overdekt kunnen zijn. Een toevallige verontreiniging van het water is niet buitengesloten. Vandaar dat een zorgvuldige filtratie noodig is. In de duinwaterleidingen van Amsterdam en 's Gravenhage wordt thans ook water door diep- drainage in verticale buizen opgevangen. De meeningen over de vraag of dit duinwater zakwater, dan wel eigenlijk grondwater, door een waterafsluitende laag van het zakwater gescheiden, is, loopen uiteen. Mocht het inderdaad artesisch war ter zijn, dan zou het stelsel van open drainage in de duinen kunnen worden vaarwel gezegd, wat uit een cultuur-oogpunt van groot belang zou wezen; 2* putiwterleiding, toegepast als de waterdragende laag op grooter diepte is gelegen. Een ijzeren ring, welke naar beneden puntig toeloopt, wordt in den grond gedreven onder gelijktijdige verwijdering van den grond binnen den ring. Op dezen wordt dan een steenen put gemetseld. Tot deze rubriek behooren, ofschoon geen waterleiding in den eigenlijken zin, ook de nortonpompen (zie aldaar). Zij kunnen tot ongeveer 10 kub. m. water per uur leveren en verdienen voor de watervoorziening van een enkele woning de voorkeur boven de gemetselde waterputten. In al deze gevallen moet de prise d'eau buiten elk centrum van vervuiling liggen, tenzij dat afdoende filtratie volgt; 3° bronwaterleiding, waarbij het grondwater van een natuurlijke bron de watervoorziening uitmaakt.

Tot de watervoorzieningen door oppervlaktewater behooren: 1° regenwater, opgevangen in daarvoor gemetselde of metalen bakken. Waarschijnlijk nooit kiemvrij, moet het aan een reinigingsproces worden onderworpen, eer het als drinkwater geschikt is, 2° rivier- en meerivaterleiding, waarvan het water ook te zeer bloot staat aan verontreiniging, dan dat het zonder voorafgaande reiniging als drinkwater zou mogen gebruikt worden. Voor de wijze, waarop deze in centrale watervoorzieningen plaats vindt, verwijzen wij naar het artikel Waterleiding.

Watervrees. Zie Hondsdolheid.

Waterweegbree. Zie Weegbree.

Waterwijding- is de naam van een OudChristelijk gebruik, dat in de Grieksch-Katholieke kerk nog bewaard is gebleven. Het bestaat in het plechtig wijden van het water, dat voor den doop is bestemd. De groote waterwijding (Jordaansfeest) wordt in de Grieksch-Katholieke Kerk den 6den Januari (Theophaniadag) als herinnering aan den doop van Jezus in den Jordaan gevierd. Na het eindigen van den kerkelijken dienst begeeft zich de geestelijkheid met kaarsen, wierookvaten en gebedenboeken naar een rivier of meer, gevolgd door de

Sluiten