Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1774 een machinefabriek te Soho. Door de uitvinding van het naar hem genoemde parallelogram (1784) en door het overbrengen van de kracht der zuigerstang op een rad opende hij een ruim veld voor het stoomwerktuig, dat langzamerhand zijn tegenwoordige inrichting verkreeg. Behalve een aantal andere uitvindingen, hebben wij aan Watt ook die van een kopiëerpers voor brieven (patent van 1780) en van en toestel voor het drogen van weefsels door middel van waterdamp te danken. Op gevorderden leeftijd droeg hij zijn fabriek over aan zijn zoon, die haar met den zoon van Boulton voortzette. Watt vestigde zich te Heathfield bij Birmingham, waar hij den 19den Augustus 1819 overleed. Hij word in de kerk van Handsworth begraven. In de Westminsterabdij te Londen, te Birmingham, Greenock en Manchester werden standbeelden voor hem opgericht.

Watteau, Antoine, een Fransch schilder, de voornaamste vertegenwoordiger van den rococotijd, geboren den 10d'« October 1684 te Valenciennes, was aanvankelijk aldaar werkzaam bij een schilder, genaamd Gérin, doch studeerde weldra meer naar de natuur en naar het voorbeeld van Nederlandsche meesters. Omstreeks 1702 begaf hij zich naar Parijs, waar hij eerst voor kunsthandelaars werkte, totdat Gillot hem als leerling aannam. Vervolgens kwam hij bij den decoratieschilder Claude Audran, directeur van het Luxemburg-museum, voor wien hij een aantal decoraties, zoogenaamde panneaux vervaardigde, waarvan echter de origineelen verloren zijn gegaan. De schilderijen van Rubens uit het museum

Antonie Watteau.

Luxemburg hadden veel invloed op zijn werk.Omstreeks 1708 werd hij een leerling van de Academie om naar den prix de Rome te kunnen mededingen. Hij ontving in het volgend jaar echter slechts een tweeden prijs. Nadat hij zijn eerste schilderij, een tooneel uit het soldatenleven voorstellende, had verkocht, begaf hij zich omstreeks 1709 naar Valenciennes, doch keerde weldra weder naar Parijs

f.orncr 7 i i n Qonirrnnsv

"b* "M" "«,11 VIO-O'S um

lid van de Academie te worden (1712), werd toegestaan; hij werd echter pas in 1717 als lid opgenomen, omdat hij niet eerder het voor de opneming te vervaardigen schilderij had ingezonden. Omstreeks 1716 kwam hij in huis bij den kunstkenner Crozat, wiens verzameling van teekeningen hem veel studiemateriaal aanbood. In 1720 deed hij een reis naar Londen. Hij overleed den 18(Icn Juli 1721 te Nogent-sur-Marne bij Parijs. Zijn werken vertoonen, in tegenstelling met zijn karakter, dat eerder tot melancholie dan tot opgeruimdheid neigde, meestal vroolijke tooneeltjes en levenslustige figuurtjes. Met zijn herdersstukken, galante feesten, landelijke genoegens en onderwerpen uit het tooneel stichtte hij een nieuwe soort schilderkunst. Zijn figuurtjes, waarvan hij de kleeding meest aan het tooneel ontleende, hadden veel invloed op de mode van zijn tijd en later. Reeds in zijn tijd kwamen

it- kapsels a la Watteau op. Zijn teekening is levendig im en vast, zijn wijze van schilderen geestig en licht; Ier daarbij bezat hij een fijn gevoel voor de natuur.

^en aantal van zijn schilderijen, die door Frederik ;e- den Oroote werden aangekocht, zijn thans in het al bezit van den Duitschen keizer; verder vindt men lie ze meest in het Louvre te Parijs en in particuliere U) Mgelsche en Fransche verzamelingen. Ook zijn er 'Is een aantal van zijn teekeningen bewaard gebleven, r- \ an zijn meeste werken zijn kopergravures gemaakt, in Watten zijn los samenhangende vellen van m katoen, wol of zijde. Katoenen watten, in den vorm van een vlies tot meerdere vastheid aan de beide 9 oppervlakten met dun lijmwater bestreken, dienen e- tot voering, maar worden door vochtigheid licht r- kluiterig. Uit dit oogpunt zijn wollen watten veel 1- beter. Ook heeft men zijden watten, doch deze

worden veel minder gebruikt.

'e Wattenbach, Wilhelm, een Duitsch geschied)- en oudheidkundige, geboren den 22eteu September

i- 1819 te Ranzau in Holsteiu, studeerde van 1837 -

n 1841 te Bonn, Göttingen en Berlijn in de letteren, a werd in 1843 medewerker aan de „Monumenta Ger-

'- maniae historicae", reisde daarvoor van 1847

i] 1849 in Oostenrijk en vestigde zich in 1851 als pris \ aat-docent te Berlijn. Hij werd in 1855 provinciaal archivaris te Breslau, in 1862 hoogleeraar te Heie delberg en in 1872 te Berlijn, waar hij tot 1888 ook , lid van de centrale directie van de „Monumenta" e en sedert 1882 lid van de Academie van Weten- schappen was. Hij overleed den 218ten September i 1897 te Frankfort aan den Main. Van zijn werken i noemen wij: „Beitrage zur Geschichte der christ1 hchen Kirche in Böhmen und Mahren" (1849), ■ „Deutschlands Geschichtsquellen im Mittelalter bis i zur Mitte des 13 Jahrhunderts" (1858, 6ae druk ' 2 dln-> 1893—1894, dl. 1, 7<"> druk, 1904), „Anleitung zur griechischen Palaographie" (1867, 3^e druk, 1895), „Anleitung zur lateinischen Palaographie (1869, 4de druk, 1886), „Das Schriftwesen im Mittelalter" (1871,druk, 1896), „Eine Ferienreise nach Spanien und Portugal" (1869), „Die Siebenbürger Sachsen" (1870), „Stockholm" (1857), „Ninive und Babyion" (1868), en „Geschichte des Römischen Papsttums" (1876). Sedert 1889 was hij medewerker aan de uitgave van de „Sammlung gemeinverstandlicher wissenschaftlicher Vortrage."

Wattenscheid, een stad in de Pruisische provincie Westfalen in het distrikt Arnsberg, ligt in een vruchtbare vlakte tusschen de Ruhr en de Emscher, is het vereenigingspunt van eenige spoorwegen en telt (1905) 23 696 inwoners. De plaats bezit 2 Evangelische, 2 Katholieke kerken, een synagoge, een stadhuis, een gymnasium, een voorbereidende mijnbouwschool. Men vindt er steenkolenmijnen en fabrieken voor ijzerwaren, margarine, ammoniak en brandewijn.

Wattier, Jolianna Cornelia, een Nederlandsche tooneelkunstenares, geboren te Rotterdam den 13den April 1764, werd door Oorver in staat gesteld, het tooneel te Amsterdam te betreden. In 1780 begaf zij zich derwaarts en behaalde er vooral in het treurspel grooten roem. Zij bezat een indrukwekkende gestalte, een bevallig gelaat van Griekschen vorm en een volle, buigzame, welluidende stem. Zij wist zich geheel en al in te leven iu den geest van haar rollen en was langer dan 25 jaren de roem van den Amsterdamschen schouwburg. In 1805 vierde

Sluiten