Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeen met die der Juravorming overeen en bestaat uit varens, cycadeeën en kegeldragers, terwijl de tweezaadlobbige gewassen nog ontbreken. Het Engelsche Hastingszand bevat geen eigenlijke steenkolenbeddingen, maar bezit daarentegen visschen, schildpadden en dynosauriërs. In Engeland en Duitschland vormen leemsoorten met dunne lagen zandigen kalksteen, waarin de geslachten melania, cyrenia en cypris en in Engeland iguanodontanden voorkomen, de bovenlaag dier zoet- en brakwatervormingen, waarop de zoutwaterlagen van het krijt volgen.

Web., is achter natuurwetenschappelijke namen de afkorting voor Friedrich Wéber, een Duitsch entomoloog en plantkundige, geboren in 1752 te Göttingen en in 1823 overleden als hoogleeraar in de plantkunde en de medicijnen te Kiel.

Webb, Sydney, een Engelsch staatsman, geboren te Londen in 1859, werd in 1878 geplaatst bij het bureau van het departement van Oorlog. Hij werd in ,1879 controleur van de belastingen en bekleedde van 1881—1891 een betrekking bij het ministerie van Koloniën. Vervolgens hield hij voorlezingen over staathuishoudkunde aan liet City of London College en werd benoemd tot hoogleeraar aan de London School of economics and political science. In 1885 liet hij zich bij de balie te Londen inschrijven en kort daarna werd hij benoemd tot lid van den London county Council. Van zijn werken noemen wij: „Socialism in England" (1890), „The eight hours' day" (met Harold Cox, 1891), „The London programme" (1892), „The history of trade unionism" (1894), „Industrial Democracy" (1898), „Problems of modern industry" (1898) en „Laban in the longest reign" (1898). De laatste werken schreef hij met zijn echtgenoote Beatrice Potter.

Weber, liarl Julius, een Duitsch schrijver, geboren te Langenburg den 16den April 1767, studerde te Erlangen en te Göttingen in de rechten, ging vervolgens als huisonderwijzer naar Fransch Zwitserland, waar hij zich bekend maakte met de voortbrengselen der Fransche letterkunde en wijsbegeerte, werd in 1792 secretaris bij den graaf von Erbach-Schönberg, in 1799 raadsheer in de regeeringskanselarij te König in het Odenwald en trad in 1802 als Hof- en regeeringsraad in dienst van het Huis Isenburg, om den jongen erfgraaf op zijn reizen te vergezellen. Deze echter verliet te Berlijn zijn leidsman, waarop Weber zijn ontslag nam en zich te Jagsthausen vestigde. Van 1820—1824 vertegenwoordigde hij het ambt Künzelsau in de vergadering der Württembergsche Standen. Hij overleed te Kupferzell den 208ten Juli 1832. Van zijn werken noemen wij: „Möncherei" (3 dln., 1818—1820), „Das Ritterwesen" (3 dln., 1822—1824), „Deutschland, oder Briefe eines in Deutschland reisenden Deutschen" (3 dln., 1826—1828; 3ae druk, 6 dln., 1843) en het onvoltooide werk: „Demokritos, oder hinterlassene Papiere eines lachenden Philosophen" (12 dln., 1832 —1840 ; 8ste druk, 1870 en 1888). Zijn verzamelde werken verschenen van 1834—1844 in 30 deelen.

Weber, Karl Maria von, een Duitsch componist, werd geboren den 18den December 1786 te Eutin in Holstein. Tengevolge van den ongedurigen geest van zijn vader, die eerst officier, vervolgens muziekdirecteur en eindelijk tooneeldirecteur op verschillende plaatsen was, had hij een onrustige

jeugd en ontving slechts een ongeregelde opleiding. In 1796 kreeg hij o. a. onderricht van Heuschkel te Hildburghausen, in 1798 van Michael Haydn te S air burg, in 1799 van Kalclier en Vallesi. Vader en zoon legden zich tevens toe op het vervaardigen van kopergravures en op de toen door Senefelder uitgevonden lithografie. Zij vestigden zich zelfs in 1800 te Freiberg, waar de benoodigde grondstoffen gemakkelijker te verkrijgen waren, om daar een groote lithografische zaak op te richten. Het werktuigelijke van deze bezigheid begon hem echter spoedig te vervelen, zoodat hij zich weldra weder bij de toonkunst bepaalde en de opera: „Das Waldmadchen" componeerde, die den 248tel1 November 1800 te Chemnitz en kort daarna te Freiberg opgevoerd werd, maar den vervaardiger in een hevigen pennestrijd wikkelde, zoodat het verblijf te Freiberg hem onaangenaam werd. In 1801 vertrok hij met zijn familie weder nar Salzburg en schreef er zijn tweede opera: „Peter Schmoll und seine Nachbarn". In het volgende jaar volbracht hij een kunstreis naar Noord-Duitschland en in het begin van

1803 begaf hij zich naar Augsburg, waar zijn „Peter Schmoll" werd opgevoerd, en in Juni naar Weenen. Hier zette hij onder leiding van den abt Vogler zijn theoretische studiën voort, totdat hij in November

1804 tot kapelmeesrer aan den schouwburg te Breslau werd benoemd. Hier maakte hij een aanvang met de opera: „Rübezahl", waarvan echter alleen de ouverture voltooid werd, die later verscheen onder den titel: „Ouvertüre zum Beherrscher der Geister". In Mei 1806 vertrok Wéber als muziekintendant naar Karlsruhe aan het hof van prins Eugenius von Württemberg. Doch ook hier vertoefde hij niet lang, daar de prins tengevolge van de oorlogsgebeurtenissen zich genoodzaakt zag, in Februari 1807 zijn hofhouding af te schaffen. Door bemiddeling van de hertogin kreeg hij de betrekking van hofsecretaris bij prins Lodewijk van Württemberg. Hij bleef daar tot 1810, toen hij, tengevolge van een ongegronde aanklacht wegens verduistering tegen zijn vader, met dezen uit het land werd verbannen. Zij begaven zich aanvankelijk naar Mannheim, vervolgens naar Dannstadt, waar Weber wederom onderwijs ontving van Vogler (tegelijk met Meyerbeer en Gansbaclier). Hij bracht te Frankfort den 16deQ September 1810 de te Stuttgart geschreven „Sylvana" (een omwerking van „Das Waldmadchen") en te Darmstadt zijn nieuwste werk, de operette „Abu-Hassan", ten tooneele en ondernam daarop (1811) een nieuwe kunstreis, eerst in Noord-Duitschland en vervolgens in Zwitserland. In 1822 keerde hij naar Duitschland terug. Bij zijn verblijf te Berlijn kwam hij in aanraking met prins Radziwill, met Tiedge, Brentano en den zoöloog Lichtenstein. In de lente van dat jaar ontving hij het bericht van het overlijden van zijn vader te Mannheim. Nu verliet Weber Berlijn en gaf gehoor aan een uitnoodiging van den hertog van Gotha, vertrok naar Weimar, waar hij kennis aanknoopte met Goethe en Wieland, trad te Leipzig in het nieuwjaarsconcert op als componist en klaviervirtuoos en maakte althans voor een poos een einde aan zijn zwervend leven door zich te belasten met het bestuur van de pas opgerichte opera te Praag, waar tevens uitzicht bestond op een verbetering van zijne geldelijke omstandigheden.

In dezen tijd bracht hij veel tot stand. Hij com-

Sluiten