Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Webster, Noah, een Amerikaansch taalgeleerde, geboren den 16den October 1758 te Hartford (Connecticut), studeerde aan het IJale College te Newhaven, streed mede in den onafhankelijkheidsoorlog en was sedert 1781 leeraar te Goshen in den staat New-York. Hier schreef hij „Grammatical institute of the English language" (3 dln., 1783— 1785), een volledig leerboek van de Engelsche taal, dat een buitengewoon succes had en ook thans nog wordt gebruikt. Buiten Amerika maakte hij zich beroemd door den grooten „Dictionary of the English language", dien hij na een arbeid van 20 jaar in 1825 voltooide. In 1828 verscheen de eerste, in 1841 de tweede vermeerderde druk. Daarna volgden nog een groot aantal drukken ervan (de beste is die van Goodrich en Porter). Hij overleed den 28sten Mei 1843 te Newhaven.

Webster, Daniël, een Amerikaansch staatsman, geboren den 18den Januari 1782 te Salisbury in New-Hampshire, bezocht het college te Dartmouth, verzamelde door het oprichten van een school een voldoende geldsom om in de rechten te kunnen studeeren en werd daarna advocaat te Portsmouth. In 1812 zag hij zich gekozen tot lid van de Wetgevende Vergadering te New-Hampshire en verkreeg er door zijn gaven als redenaar grooten invloed. In 1817 vestigde hij zich te Boston, werd vervolgens door het graafschap Suffolk in Massachusetts afgevaardigd naar het Huis van Vertegenwoordigers, in 1828 naar den Senaat en stond van 1841 tot 1843 en van 1850 tot 1852 als staatssecretaris van het hoofd van het ministerie. In die betrekking leidde hij de binnen- en buitenlandsche politiek der Vereenigde-Staten en sloot o. a. in 1842 te "Washington met den Britschen gezant Lord Ashburton het verdrag tot regeling der grenzen, tot opheffing van den slavenhandel en tot uitlevering van misdadigers. Hij overleed den 249ten October 1853 op zijn landgoed Marshfield in Massachusetts. Zijn voornaamste redevoeringen enz. werden gedrukt onder den titel: „Speeches, forensic arguments and diplomatic papers" (6 dln., 1853; 3 dln., 1902), zijn particuliere correspondentie werd door zijn zoon uitgegeven (2 dln., 1856). Biografieën over hem verschenen er o. a. van Curtis (2 dln., 1870), Lodge (1883), Master (1902) en Wheeler (1905).

Webster, Augusta, een Engelsch dichteres, geboren den 303ten Januari 1837 te Poole (Dorset) als dochter van admiraal Davies, studeerde in de oude talen en huwde met Thomas Webster. Onder den schuilnaam Ceeil Home verschenen van haar hand: „Blanche Lisle and other poems" (1860), „Lilian Gray, a poem" (1864) en de roman „Lesley's guardians" (1864). Onder haar eigen naam publiceerde zij de voortreffelijke vertalingen van „De gekluisterde Prometheus" van Aeschylus (1866) en van „Medea" van Euripides (1868). Verder schreef zij: „Dramatic Studies" (1865), ,,A woman sold, and other poems" (1867), „Portraits" (3de druk, 1893), „The auspicious day, a poem" (1872), „A houswife's opinions" (1878), in proza, „A book of rhyme" (1881), „Daffodil and the Croaxaxicans, romance of history" (1884), „Mother and daughter, an uncompleted sonnet sequence" (1895) en de treurspelen: „Disguises" (1879), „The sentence" (1887) en „In a day"(1893). Zij overleed den 5aen September 1894 te Kew bij Londen.

Weckherlin, Georg Rudolf, een Duitsch dich¬

ter, geboren den 15den September 1584 te Stuttgart, studeerde te Tübingen in de rechten, volbracht in 1604 reizen in Duitschland, in het volgende jaar in Engeland en Frankrijk en werd in 1610 secretaris van hertog Johann Friedrich von Württemberg te Stuttgart. Nadat paltsgraaf Frederik, de schoonzoon van Jacobus I, van zijn keurvorstendom was ontzet, werd te Londen een kanselarij opgericht, om onderhandelingen te voeren met den keizer en de Duitsche vorsten, en Weckherlin zag zich daaraan geplaatst. Na dien tijd woonde hij waarschijnlijk zonder vaste aanstelling te Londen en werd door de koningen Jacobus 1 en Karei I met belangrijke zendingen naar verschillende landen belast. In 1644 werd hij tot secretary for foreign tongues benoemd, in welke betrekking Millon hem in 1649 opvolgde. Hij overleed te Londen den 13den Februari 1653. Door den Dertigjarigen oorlog zijn een deel van zijn handschriften verloren gegaan. Hij staat aan het hoofd van de Duitsche renaissencedichters en sloot zich inzonderheid bij Fransche voorbeelden aanTegenover de strenge metrische wetten van Opilz stond hij aanvankelijk op een vrijer standpunt. Hij bezorgde zelf 2 volledige uitgaven van zijn dichtwerken (Amsterdam, 1641,1648). Een kritische uitgave leverde H. Fischer (2 dln., 1893—1895), een bloemlezing gaf Gödeke (1873).

Wedda (Vedda, Veda), een volksstam in het 0. van Ceylon, welke voornamelijk de distrikten Batticaloa, Badoella, Nilgala en de bosschen van Bintenna bewoont, is een overblijfsel van de oorspronkelijke bevolking van het eiland. Zij zijn klein gebouwd, bruin van huidskleur, hebben een lang, smal hoofd, kroeshaar en groote oogen. De mannen dragen een schaamgordel, de vrouwen een heupdoek. De godsdienst van de „wilde" Wedda's bestaat hoogstens in een vereering der voorouders. Het huwelijk is streng monogaam. Zij hebben geen schrijftaal en evenmin telwoorden of namen voor maanden en dagen. Hun aantal, dat snel vermindert, bedraagt (1901) 3971. Het aantal „wilde" Wedda's bedraagt hoogstens 300.

Wedde, een gemeente in de provincie Groningen, 4100 H. A. groot met (1910) 3180 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Winschoten, Beerta, Bellingwolde, Vlachtwedde, Onstwedde en Oude-Pekela. De Westerwoldsche A loopt er door, in het N. vindt men klei, in het Z. zand. Het vroegere hoogveen in het Z. W. is meest afgegraven. Landbouw is het voornaamste middel van bestaan. Tot de gemeente behooren de dorpen Wedde en Blijham, verder een aantal buurten en gehuchten.

Het dorp Wedde ligt aan de Westerwoldsche A, waarover hier een lange brug ligt. Men vindt er dijken. Naast de Hervormde kerk staat een klokhuis. Het kasteel Drostenburg werd in 1568 door graaf Lodewijk ingenomen.

Weddell, Tlugh Algernon, een Engelsch plantkundige, geboren den 228ten Juni 1819 te Dorchester in Engeland, vertrok met zijn familie eerst naar Boulogne sur Mer en vervolgens naar Parijs, waar Jussieu, Casson en Germain de Saint-Pierre zijn plantkundige studies aanmoedigden. In 1840 hield hij zich bezig met een flora van Parijs. In 1843 vertrok hij als geneesheer en plantkundige met een Fransche expeditie van graaf Castelnau naar Brazilië, verliet echter deze voor eenigen tijd, reisde daarna alleen te midden van velerlei moeiten en be-

Sluiten