Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de officieren van de landkas bestaat er ook een weduwen- en weezenkas.

Weduwen-verbranding; noemt men de in Indië heerschende gewoonte, dat de vrouw of vrouwen van een voornaam persoon zich na zijn dood tegelijk met zijn lijk op den brandstapel laten verbranden. Uit de oudste heilige geschriften van de Indiërs is dit gebruik niet bekend, toch is het waarschijnlijk reeds zeer oud. De antieke schrijvers Strabo en Diodorus Siculus maken reeds melding van deze gewoonte. Waarschijnlijk kwam zij oorspronkelijk alleen bij vorstelijke families voor. De Indische naam Suili, Satti of Sati beteekent trouwe gade en werd eerst in de 17ae eeuw door de Europeanen verkeerdelijk op de weduwverbranding zelf toegepast. Door de Engelsche regeering werd deze gewoonte sedert 1829 verboden en komt thans in de Engelsche vazalstaten slechts zelden meer voor. Op Bali, waar de weduwverbranding vroeger algemeen heerschte, is zij thans officieel afgeschaft, doch kwam tot voor enkele jaren van tijd tot tijd nog voor. Zij wordt daar mesatia genoemd. Den 25sten October 1903 had in het zelfbesturend rijk Tabanan bij den dood van den radjah ondanks de door het gouvernement genomen maatregelen nog een mesatia plaats. De nieuwe radjah werd echter gedwongen een contract te sluiten, waarbij het gebruik in zijn rijk voor goed werd afsgeschaft. De vrouwen, die zich eerst met een kris doorsteken en vervolgens naast het brandende lijk in den brandstapel springen, krijgen den naam van satya en worden meer geëerd, dan de fteZa's, die zich op een tweeden brandstapel laten neervallen en verbranden.

Weduwenvogels (Widavinken, Viduanae Cuv.), een onderfamilie der W evervogels (Ploceïdae), zijn middelmatig groote vogels, met korten, kegelvormigen snavel, waarvan de mannetjes in den paartijd buitengewoon verlengde staartvederen dragen. Zij bewonen Afrika en leven in den broedtijd gepaard; veelwijverij schijnt voor te komen. Zij bouwen nesten in den vorm van de echte Wevervogels, kunnen goed in gevangenschap gehouden worden, maar planten zich dan slechts uiterst zelden voort. De Paradijsweduwe (Vidua paradisea L.) is zonder de verlengde staartvederen 16, met deze 30 c.M. lang. Grootendeels zwart gekleurd, heeft zij een breeden kaneelrooden halsband en krop; de buikzijde is bleek roestgeel. Het wijfje is vaalbruin. De vogel bewoont Midden-Afrika, vooral in dunne bosschen en steppen. De Dominicanerweduwe (Vidua principalis L.) is wit met zwarte teekening. Zij komt bijna overal in Afrika voor.

Weech, Friedrich von, een Duitsch geschiedkundige, geboren te München den 16den October 1837, studeerde aldaar, te Heidelberg en te Berlijn en werd medewerker aan de uitgave van de „Deutsche Stadtechroniken". In 1862 vestigde hij zich als privaatdocent te Freiburg in de Brcisgau en werd in 1864 hofbibliothecaris te Karlsruhe, in 1867 archiefraad, in 1877 geheim archiefraad en in 1885 directeur van het rijksarchief. Ook zag hij zich in 1868 benoemd tot kamerjonker en in 1883 tot kamerheer, en bij de stichting der Historische Commissie in Baden (1883) werd hij tot haar vasten secretaris gekozen. Hij overleed den 17df'n November 1905 te Karlsruhe. Van zijn werken noemen wij; „Baden unter den Groszherzögen Karl Friedrich, Karl, Ludwig 1738—1830" (1863), „Korresponden-

zen und Aktenstücke zur Geschichte der Ministerkonferenzen von Karlsbad und Wien 181,91820 und 1834" (1865), „Geschichte der badischen Verfassung" (1868), „Beschreibung des schwedischen Kriegs von Sebastian Bürster 1630—1647" (1875), Badische Biographien" (5 dln., 1875—1905), „Baden in den Jahren 1852—1877" (1877), „Die Deutschen seit der Reformation" (1878), „Aus alter und neuer Zeit. Nachtrage und Aufsatze" (1878), „Die Zahringer in Baden" (1881), „Codex diplomaticus Salemitanus" (3 dln., 1883—1895), „Badische Geschichte" (1890), „Karlsruhe, Geschichte der Stadt u. s. w. (3 dln., 1895—1904), „Siegel und Urkunden aus dem badischen Generallandesarchiv" (1883—1886) en „Regesten zur Geschichte der Bischöfe von Konstanz" (sedert 1886).

Weede. Zie Isatis.

Weefscholen zijn inrichtingen van onderwijs, waarin het liandweven en bovendien ook het zoogenaamde hoogere weven, d. i. het theoretisch gedeelte der weverij, het patroonweven naar gegeven teekeningen of monsters, alsmede het zelfstandig ontwerpen van patronen (decomponeeren) wordt onderwezen. De eerste inrichtingen van dien aard ontstonden in 1845 te Elberfeld, in 1850 te Reichenbacli, in 1852 te Mülheim a. d. Rijn, in 1855 te Krefeld en in 1856 te Ruetlingen. Voor het eerste is avond- en Zondagsonderwijs gedurende een éénjarigen cursus voldoende. Het hoogere weven wordt onderwezen in cursussen, die één of twee jaar duren en overdag gegeven worden. Saksen bezit thans 21 weefscholen, waaronder 7 hoogere, Beieren 3, Württemberg 4 en Elzas-Lotharingen 1; Oostenrijk bezit er 29. Bij ons te lande werd de eerste weefschool door de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Goor opgericht.

Weefsel (Tela) noemt men verzamelingen van gelijksoortige cellen in het dierlijk en in het plantaardig lichaam. Bij het dier onderscheidt men voornamelijk huidweefsel, bindweefsel (zie aldaar), been- en kraakbeenweefsel (zie Been), spierweefsel en zenuwweefsel. Tot het huidweefsel behoort de epidermis (zie Huid) en het epithelium (zie aldaar). Zie verder Cel.

De leer van de weefsels noemt men Weefselleer of Histologie. De weefselleer van de planten wordt ook phytotomie of anatomie van de planten geheeten. Zij vormt een onderdeel van de morphologie. In de zoölogie kan men geen bepaalde grens trekken tusschen anatomie, de leer, die zich meer in het groot, meestal slechts met het bloote oog, bezighoudt met den bouw van een lichaam, en de histologie, die, gewoonlijk met behulp van het mikroskoop, den bouw meer in zijn onderdeelen nagaat. Beide wetenschappen staan in een nauw verband tot elkander en vullen elkander aan. Hulpwetenschappen voor de histologie zijn de natuurkunde en de scheikunde, zoodat men ook van een histophysica en een histochemie spreekt. Van veel belang is de weefselleer voor de pathologische anatomie.

De histologie kwam in het begin van de 19de eeuw tot ontwikkeling, ofschoon haar beginselen reeds uit veel vroeger tijd dagteekenen. Het werk van Bichat „Anatomie générale" (1801) legde den grond voor de moderne weefselleer. Zij deed een belangrijken stapvoorwaarts door de ontdekking van de plantaardige en de dierlijke cel door Schleiden en Schwann (1838). Aanvankelijk hield men zich

Sluiten