Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nus in Freia. Alleen de dies Saturni behield als Za- h 'Sk^agWaturdag en Saturday zijn naam in het Ne- n aafenèich, plat-Duitsch en in het Engelsch. s<

W«ek, Goede, of Stille weelc (Hebdomas magna of r Hebdatnas sancta) is de naam van de week vóór Pa- e ■schgn, die herinnert aan het lijden en den dood van I Jej$s. Den dag van Jezus' dood, den Vrijdag, d néémt men den Goederl Vrijdag. I

We ekdier en ( Afiilfmca; zie de plaat) is de naam 1: van een groote l»oo©afdee|p"ig van lietdierenrijk. De é dieren dezer hpqfdafdeelingSfiderschéiden zich door 1 de volgende kenmerken: :hun huid, waaraan de spie- .1 ren bevestigden, is voCh$g, week en dubbel; de bui- s tenste scheidt'meestal eeu kalkschaal af, welke als i een beschefm£n(l omhulsel dienst doet. Het zenuw-, < stelsel bestaat in: het algemeen uit 3 zenuwknoop- ^ paren; een paar ligt dorsaal van den slokdarm én i verzorgt voelers: eii oogen; berieden, d^n darm vi#at i men de pedaalz'enuwknoopen en naaï;4chterejï de 1 Visceraalgangliën.- Deze gangliën of zesiinyknopien < hangen samen door zenuw'ötrengen. De'lj^p is door- i gaans niet ..afgescheiden van het lichaam^en de zin- ■ tuigen zijn weinig ontwikkeld. Zij bezittè^- e;eh dor- ( saai gelegep slagaderlijk harfcmet kamer éfyfeoeféBfc N De kamer is onparig, terwijf de boezem pöÉgfis zoolang als ook de kieuwen parig zijn. Is er sfëejits een kieuw, dan is er ook maar één voorkamer/ steeds zijn er afzonderlijke aderen en slagaderen; haarvaten vinden we slechts bij de CephalópoAeil (Inktvisschen), terwijl bij de lagere weékdiereh, als bij de Schelpdieren, de fijnere vaten uitmonden in lacu- ' naire banen,welke laatste in haar geheel vroeger als de lichaamsholte werden aangeduid. Een volkomen gesloten bloedvatenstelsel is echter nergens aanwézjg. i'. *

Het hart wordt ingesloten doQr-.een grooten hartenbuidel, die door een kanaal met de nieren in verbinding,staat en-soms ook met de geslachtsklieren. Hierop steunt men alamen dit pericard en de ruimte der geslachtsklieren .als resten van een lichaamsholte beschouwt. Vgle soorten zijn tweeslachtig; bij'andere zijn de geslachten gescheiden. De jongste ' dieren komen meestal uit eieren voort, en slechts ' bq (enkele, soorte» ontwikkelen zij zich in het moedtylifliaaifc; ' '

D'è weekdieisn hébben geen uit- qf inwendig geraamte, Be huSspierzak zet zich, uit aan de buikvlakte tot eèn^ewMng&Wérktuig, de voet geheeten, en deze is bij s»jinn«gf een onverdeelde zool en bij andere in afdeelingéh gesplitst (pro-, meso- en metapodium), welke'dqer groeven gescheiden zijn. Aanhangsels aan den bovensten zoom van den voet vormen het epipodium. Boven deri:voe.t heeft men veelal een schildvormige verdikking' dttfhuid, de mantel genaamd, wiens janden, verdubbelingen der huid, het lichaitm. gedeeltelijk ofjeheel omge-yj». De oppervlakte dezer verdubbeling scheidt, een pigmentrijke,kalkschaal af, waardoor veelyormige en v-eelkli-urige schèlpen ontstaan, vyaarijï hpt weeke liei-a®m een schuilplaats vindt. Sléchts" in .enkele gevaU<m ontbreken deze schelpen; In de nabijheidtvan h^yaorfite uiteinde des. liehaams, aan beide zijden vaji üé mondopening, -bevinden zich doorgaans twééi-aa.ihfingSels, de baarden, welke bij larven de gedïtóWte 'hebben van groote zeilen. Bij de meêst oiitWïkfceldf-"weekdiere 11 is de kop min of meer van den romp gescheiden. Het achterste gedeelte van dezen is dan veelal spiraalsgewijs gedraaid, doch be¬

houdt ook wel een platten of een rolronden vorm met Volkomen tweezijdelingsche symmetrie. De schflp vertoont zich hierbij schotelvormig of spiraalsgewijs gewonden of blijft als een plat gedeelte epiier schelp onder de huid van den rug verborgen. Bij de hiertoe behoorende Koppootigen (Ceplmlopodia) bevindt zich aan den bek een kring van armen. Bij de Buikpootigen (Gastropoda) heeft men aan den kop voelhorens en baarden, terwijl de voet onder den buik zich tot een breede zool ontwikkelt. Bij de lager Jjgwëjjktuigde vormen, namelijk bij de Koplóoze wéekdieren (Acephala), draagt het zijdelings sa^nigedriikte lichaam twee groote, zijdelingsche .n$sifitelslippen, welke evenzoovele, door een slot vereenigde kleppen of schalen afscheiden. Het spijsverteringskanaal heeft overal eigen wanden en is althans in drie afdfeeljvigen gesplitst, van welke de middenste, de maagdarm, met een groote lever verbonden is. De anus ligt oorspronkelijk in het midden van het achterste gedeelte des lichaams, maar is vaak door een kromniiü| van den ingewandenzak naar voren geschoven. Alle weekdieren bezitten een spierachtig hart, dat het slagaderlijk bloed uit 'de ademhaüiigsw.erktuigen in een enkelvoudige of uit niéer-ruimten bestaande voorkamer opneemt en uit een enkelvoudige kamer naar de verschillende lichaamsdeelen .voortstuwt. Alleen bij de meest ontwikkelde weeVdjérèn is aan de slagaderen een net van haarvaten "toegevoegd. Meestal heeft men tusscheri de slagaderen en aderen een stelsel van ruime , "bloedboezems; zelfs de algemeene lichaamsholte dient tot het opnemen van bloed. Daarenboven heeft men hier en daar openingen, die aan het water den toegang verleenen tot het bloed. Overal is-de geheele oppervlakte der huid een ademhalihgswerktuig; daarenboven vindt men nog kieuwen, zelden longen. De kieuwen zijn uitstulpingen der huid, meestal tusschen den mantel en den voet, en hebben

■ de gedaante van vertakte aanhangsels of van pla-

■ ten. De longen daarentegen ontwikkelen zich als met ; lucht gevulde ruimten met zeer samengestelde plooi! en en hebben door een opening gemeenschap met de i buitenlucht. De oogen bezitten gewoonlijk een lens, • een regenboogvlies, een vaatvlies en een netvlies;

zij zijn doorgaans ten getale van twee aan den kop

- en bij de Koploozen somtijds aan dén mantelzoom

- geplaatst. De gehoorwerktuigen hebben den Vorm , Van gesloten gehoorblaasjes met trilharen óp den j binnenwand, veelal ten getale van twee bij den voet-

- zenuwknoop of den bovensten zenuwknoop. Orga-

- nen voor den reuk en den smaak zijn, althar s bij de

- hoogst bewerktuigde, weekdieren aanwezig. Tot ge_ voelszintuigen eindelijk dienen de verschillende aan:i hangsels -aaji den kop, aan het voorste gedeelte van

het lichaan>én aan den mantelzoom. De voortplan-

- ting geschiedt in den regel door geslachtelijke, yer;- eenigipgV tweeslachtigheid (herinaphroditishius)

hee|t bij-de weekdieren de overhand, doch bij onderL- sclieidene in zee levende Buikpootigen, bij de meeste i- Plaatkiéuwigen. en bij alle Koppootigen zijn de geil slachten gescheiden. Gelijk wij reeds zeiden, heeft n de ontwikkeling der jongen zelden plaats in het moeis derlijk lichaam. De jongen doorloopen vaak een .e zeer ingewikkelde gedaantewisseling en bezitten een st met haren omzoomde uitbreiding der huid, welke n dienst doet als bewegingsorgaan. Verreweg de meesn te weekdieren leven in het water en de groote meer3- derheid van deze in zee, terwijl de weinige landbe-

Sluiten