Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hoogsten trap van ontwikkeling bereiken. Men de

vindt de talrijkste vormen van schelpdieren in de se

keerkringszeeën, terwijl alle orden met de meeste ga

familiën door de gematigde gordels heen zich naar m

de zijden der polen uitstrekken. Fossiele schelpdie- oc

ren vindt men reeds in de Silurische vorming, en \1 men kan in het algemeen aannemen, dat de vormen v<

zonder sipho's de oudste zijn. De zoetwaterschelp- i dieren verkregen in de tertiaire vorming een aan- di merkelijke ontwikkeling, welke tot onzen ti]d toe ïri steeds klimmende is geweest. Van de 14 000 be- ti schreven soorten zijn 8 tot 9 000 fossiel.

t Men verdeelt de schelpdieren in tien orden, na- gi melijk in Pholadacea Stol. met lange, saamgegroeide le sipho's, voorts met verlengde kieuwen, een kiemen ei voet en kleine schalen, welke alleen het voorste ge- s] deelte des lichaams bedekken, zooals de paalworm v (Teredo) en de boormossel {Phohs) Myacea Stol. met b langwerpige, geheel of gedeeltelijk vereenigde si- pho's, waarin de kieuwen zich niet uitstrekken, een h korten, tong- of vingervormigen voet en ontwikkel- g de schalen, zooals het meshecht (Solen vagina L.), e Tellinacea Stol. met zeer lange, volkomen geschei- o dene sipho's, een van voren wijd geopenaen mantel, e een verkwijnde reeks van uitwendige kieuwen, een \ grooten voet met een tongvormig uiteinde en scha- r len met een mantelbocht; de Tellinaceeën vertoo- e nen zich eerst in de Jura- en de Krijtvormmg, Veneracea Stol, met middelmatig lange, afzonderlijke ( sipho's, een van voren wijd geopenden mantel een i grooten, samengedrukten, aan hetuitemde spitsen voet, aan beide zijden ontwikkelde kieuwen, schel- i pen met nagenoeg of in het geheel geen mantelbocht i en een uitwendigen slotband. Zij vertoonen zich : reeds in het Palaeozoïsch tijdperk en bereiken den hoogsten trap van ontwikkeling in de bovenste secondaire en onderste tertiaire lagen. Hiertoe behooren de hartschelpen (Cardiidae) met het palaezoisch geslacht Conocardium, Charmcea Stol. met een mantel, die zich onderscheidt door een aan de binnenzijde samengegroeiden en aan de buitenzijde, vrijen, verdikten rand, met korte, afzonderlijke sipho s, voorzien van door franjes omgeven openingen, met een kleinen voet, met een klein inwendig paar kieuwen, met ongelijke schalen, met groote spiervlekken, geen mantelbocht en een uitwendigen band. De thans nog levende soorten dezer orde, waaronder zich de reuzenschelp (Tridacna) bevindt, bewonen de kust en zijn meestal aan rotsen en koraalbanken vastgehecht. Deze orde ontwikkelt zich vooral in de krijtvorming (Caprina, Hippurites enz.), l/acinacea Stol. met vrije mantelzoomen, aan het achterste gedeelte met een opening voor een sipho, nooit met twee ontwikkelde sipho's, met een wormvormigen of rolronden voet, twee spiervlekken en geen mantelbocht. Van deze orde verschijnen de Salenomyen in het Silurisch tijdperk, terwijl de Astartiden haar hoogste ontwikkeling bereiken in de Crassatellen, waarna zich in het tertiaire tijdperk weder andere geslachten ontwikkelen, — Unionacea Stol. met vrije mantelzoomen, veelal slechts één achterste opening, doorgaans een wigvormigen, zelden een langwerpigen voet, steeds twee paar kieuwen, schalen "met een dikke opperhuid, een uitwendigen slotband, twee spiervlakken, een gave mantellijn en een slot zonder of alleen met voorste tanden. Zi] omvat zoetwaterschelpdieren, welke zich het eerst in de wealdenvorming vertoonen. Hiertoe behooren

eendenmossel (Anodonta anatina), de schildersmos. (Unio pictorum L.), de rivierparelmossel (Marritina margaritifera Retz.), Arcacea Stol. met ;estal geheel vrije fmantelzoomen, somtijds met gen, zelden met vereenigde sipho's, met twee spierïkken en met een groot aantal slottanden. Zij rtoonen zich reeds in de Silurische vorming, de igoniën bereiken haar hoogste ontwikkeling in Juravorming, de Arciden (zooals Arca, Cardiolü) het krijt en de overige familiën in het tertiaire dperk en inden tegenwoordigen ti)A, Mytilacea ol. met vrije mantelzoomen, met een kleinen voet, iwoonlijk voorzien van een groote byssusklier, schan met een hoornachtige opperhuid, een lang slot en ;n langen slotband, geen mantelbocht en ongelijke liervlakken. Deze orde is zeer talrijk en sterk jrspreid in alle fossielen voerende lagen. Daartoe ■hoort de familie der Mytilidae met de geslachten lytilus, Lithodomus, Pinna enz., en die der Avicuia met de parelmossel (Meleagrina) en vele fossiele ïslachten (Avicula, Posidmomyia, Inoceramus enz.) i Ostracea Stol. met vrije, van franjes en vaak van ogen voorziene mantelzoomen, slechts één sluitspier, Bn kleinen voet, gelijke of ongelijke schalen, een vrij astgegroeid slot, meestal zonder tanden en schalen iet een cel- of plaatvormige opperhuid. De meeste oorten dezer orde zijn uitgestorven.

De klasse der Scaphopoda verschilt niet veel van .ie der schelpdieren en vormt den overgang tot de reekdieren, welke voorzien zijn van een kop. De voning der Scaphopoden is een gekromde, naar voeh eenigszins toegespitste, open buis, waarin het lier, door een spier aan den ondersten, dunneren ichaalrand vastgehecht, verborgen ligt. Do mantel b zakvormig, de voet drielobbig. Een afzonderlijke ifdeeling voor het hoofd ontbreekt; daarentegen ïeeft men in de mantelruimte een eivormig aanhangsel met den door acht bladvormige lippen omgeven nond. Deze vertoont eenige beginselen van kaken sn heeft een met 6 rijen platen bezette tong. Een lart ontbreekt, en de ademhaling geschiedt door ie oppervlakte van den mantel en ook wel door de voelers achter het kopvormig monduitsteeksel, terwijl de oogen ontbreken. Zij zijn eenslachtig, en de eieren en zaaddraden treden door een opening achter in den mantel naar buiten. De jongen bewegen zich als larven door middel van trilharen en verkrijgen daarna een tweekleppige schaal, een zeil en een voet, terwijl de schaal eerst later een buisvormige gedaante krijgt. Hiertoe behoort de orde der Buisslakken (Solenoconchae) met eenige weinige geslachten en soorten, die in het slijk leven. — De Gastropoda (Buikpootigen of Slakken) bezitten een min of meer van het lichaam afgescheiden kop, een onder den buik geplaatsten, spierachtigen voet en een onverdeelden mantel, welke een schotelvormig of spiraalsgewijs gewonden huisje afscheidt. — De Cephalopoda (Koppootigen) eindelijk zijn éénslachtige weekdieren met een duidelijk afgescheiden kop, twee groote, samengestelde oogen, een krans va,n armen rondom den mond en een trechtervormig doorboorden voet.

Naast de weekdieren plaatst Milne Edwards, d.e Mosdiertjes (Bryozoa) en de Manteldieren (Tunicala) onder den naam van Molluscoidea, terwijl men van het tegenwoordig standpunt der wetenschap de Armpootigen (Brachiopoda) het naast bij de Mosdiertjes moet plaatsen. De Armpootigen zijn vast-

Sluiten