Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weervoorspelling: of Weerprognose noemt men het gedeelte der meteorologie, dat zich bezig houdt met het voorspellen van de weersgesteldheid voor meer of minder veraf gelegen tijdsruimten van grooter of kleiner omvang. Zij heeft plaats op grond van de weerberichten (zie aldaar). De aard van de toekomstige weersgesteldheid wordt voornamelijk uit het optreden, de verplaatsing en het verdwijnen van depressies en anticyclonen bepaald. Men onderzoekt de luchtdrukverhoudingen in minima en maxima, alsmede hun ligging onderling en ten opzichte van de plaats, waarvoor de voorspelling zal gelden. Verder wordt de luchtdrukverdeeling der voorafgaande dagen vergeleken met de bestaande, waarbij ook met de veranderingen in temperatuur en windrichting rekening moet worden gehouden. Ten slotte wordt uit het een en ander een conclusie omtrent de aanstaande weersgesteldheid getrokken. Ekholm gaat uit van de weerberichten en onderzoekt de luchtdrukverandering van 12—12 uur. In een weerkaart teekent hij voor iedere plaats deze verandering aan. Plaatsen met gelijke verandering verbindt hij door lijnen, isallobarm geheeten. Deze vormen meestal gesloten krommen, evenals de cyclonen en anticyclonen. Een gebied, waarin de druk is toegenomen, heetisallobarischmaximum; het tegenovergestelde heeft in een isallobarisch minimum plaats. Beide gebieden vergezellen elkander gewoonlijk. Zij volgen nagenoeg dezelfde banen, welke evenwel meestal afwijken van die der depressies en anticyclonen. Hun snelheid is ook veel grooter. Ofschoon de betrekking van deze isallobarische maxima en minima tot het weer nog niet geheel is verklaard, schijnen zij toch een dieperen blik in het wezen der verschijnselen mogelijk te maken. Zij spelen dan ook reeds een rol in de praktische meteorologie.

Anders gaat Guilbert, wiens methode te Luik in 1905 bekroond werd, te werk. Hij construeert de isobaren voor luchtdrukverschillen van 1 mm. Uit richting en kracht van den wind op de stations, in verband met de luchtdrukverschillen en ut de luchtdrukveranderingen der laatste 24 uur, besluit hij dan tot de weersgesteldheid voorde eerstvolgende 24 uur. Weer andere waarnemers, bijv. dr. Klein te Keulen, schenken bijzondere aandacht aan de beweging der vederwolken, of beproeven zelfs weervoorspellingen voor langer dan 24 uur. Dit laatste zal echter waarschijnlijk eerst met voldoende zekerheid kunnen geschieden, als men over dagelijksche gegevens omtrent de meteorologische toestanden in de heete luchtstreek en in de hoogere luchtlagen kan beschikken.

Weerwolf (samengesteld uit wolf en een OudGermaansch woord wer, dat man beteekent) is volgens een algemeen verbreid volksgeloof een man, die in staat is de gedaante van een wolf aan te nemen. Reeds bij de Skythen kwam het geloof aan een weerwolf voor. Ook Grieksche geneeskundigen verhalen van een soort waanzin (lykanthropie), die daarin bestond, dat de lijder 's nachts rondliep en als een wolf hnilde, en de Romeinen spreken van versipelles als van menschen, die zich in wolven konden veranderen. In de Middeleeuwen werd er algemeen aan weerwolven geloofd. Tegenwoordig komt het nog in verschillende streken van Zuid-Rusland, Wala° chije en bij de Zuid-Slaven voor; het karakter van den Zuid-Slavischen weerwolf gaat echter over in

XVI

dat van den vampier. Volgens de oudste Germaansche begrippen, zooals men die bijv. in de Völsungasage aantreft, werd de verandering van een wolf bewerkt door een om het lichaam gebonden riem (wolfsgordel) of door het aantrekken van een wolfshemd (ulf-hamr). De weerwolf onderscheidde zich van een echten wolf alleen door zijn afgehakten staart.

Wees- en boedelkamers in Nederlandsch Oost-Indië waren oorspronkelijk inrichtingen, die voor de belangen van de minderjarige kinderen en de onbeheerde nalatenschappen van in Indiëoverleden niet-Inlanders opkwamen. Hun functies zijn in den loop der tijden belangrijk uitgebreid. Beide zijn staatsinstellingen. De weeskamers zorgen voor Europeanen en met dezen gelijkgestelden en voor inlanders, voor zoover zij in dit opzicht met Europeanen zijn gelijkgesteld, de boedelkamers voor vreemde oosterlingen en bij uitzondering voor inlanders. De functies der boedelkamers zijn thans overal opgedragen aan de weeskamers, die daarvoor door Chineesche en inlandsche leden worden bijgestaan. Hun taak is in hoofdzaak de volgende: waarneming van de voogdij, wanneer een voogd ontbreekt of zijn taak niet vervult en van de toeziende voogdij, de uitoefening van curateele, het beheer van goederen van afwezigen, registratie en opening van testamenten en het beheer van onbeheerde nalatenschappen. Bovendien oefenen de boedelkamers het beheer over Chineesche hospitalen uit. Voor de boedelkamers is de instructie van 1828, hoewel herhaaldelijk aangevuld en gewijzigd, van kracht, voor de weeskamers die van 1872.

Weeshuizen zijn inrichtingen, waar ouderlooze kinderen gehuisvest en opgevoed worden. Zij hebben hun ontstaan vooral aan de uitbreiding van Christelijke ideeën te danken. Wel werden er bij de Grieken en de Romeinen eenige wetten gemaakt ten opzichte van de verzorging van weezen, doch eerst het Christendom beschouwde dit als één van de voornaamste werken van de naastenliefde. Aanvankelijk werden weezen door kloosters, broederschappen enz. opgenomen, in het begin van de 16de eeuw ontstonden in Italiaansche, Nederlandsch s en Duitsche steden afzonderlijke weeshuizen (Amsterdam 1520, Augsburg 1672). Beroemd werd het weeshuis, dat August Hermann Franke in 1696 te Halle stichtte. In de meeste steden van Duitschland en ons land ontstonden dergelijke inrichtingen, die gedeeltelijk door legaten en geschenken, gedeeltelijk door werk van de weezen, de kosten van hun oprichting en onderhoud bestreden. In den laatsten tijd is de vraag, die ook vroeger reeds dikwijls een punt van geschil uitmaakte, of de verzorging van weezen in weeshuizen of bij een familie de voorkeur verdient, opnieuw op den voorgrond getreden. Vooral in Schotland en Noord-Amerika vindt het laatste stelsel, het zoogenaamde Boarding-outsysteem veel aanhangers. In Nederland geeft men nog in ljet algemeen de voorkeur aan de verpleging in gestichten. De statuten van de meeste gestichten laten wel verzorging buiten het gesticht, bijv. in den vorm van tijdelijke uitbesteding, toe. Enkele vereenigingen, zooals de Maatschappij tot opvoeding van weezen in het gezin, de Vereeniging tot opvoeding van half verweesde, verwaarloosde of verlaten kinderen en de Weezenkas, houden zich, behalve laatstgenoemde vereeniging, wier statuten ook de verzorging in

4

Sluiten