Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitwijken, terwijl aan den kant ruimte moet overblijven om het onderhoudsmateriaal van den weg te bergen. Men maakt de oppervlakte van den weg gewelfd of dakvormig, zoodat het water kan afvloeien naar de kanten, waar, wanneer dit noodig is, geulen of slooten worden aangebracht. Ook laat men wegen op een horizontale vlakte een weinig oploopen om de afvloeiing te bevorderen. Beplanting met boomen is aan te bevelen, daar zij den weg bij nacht en sneeuw kenbaar maken, schaduw geven, den weg verfraaien en door hun hout of vruchten voordeel kunnen opleveren.

Do eerste kunstwegen, waarvan wij iets weten, kwamen in het Oosten voor; een weg van ongeveer 3400 km. verbond bijv. in de Oudheid in het Perzische rijk Susa met Sardes. De oudste wegen in China waren zóó vast, dat men ze thans nog kan gebruiken. De Grieken, inzonderheid de Atheners, legden vooral voor hun heilige tochten, bijv. naar Delphi en Kyrene, kunstwegen aan. Sporen van Romeinsche wegen vindt men nog in het geheele vroegere Romeinsche rijk, ook in ons land. De meest beroemde daarvan was de Appische weg, over welke Plinius en Vitruvius vele mededeelingen doen. Tijdens en na het verval van het Romeinsche rijk hield de zorg voor de wegen op; eerst Karei de Groote bracht ze weder in een beteren toestand en legde nieuwe aan. Toch bleven de wegen in de Middeleeuwen gebrekkig, meestal konden ze alleen in het gunstige jaargetijde zonder groote moeilijkheden door voertuigen gebruikt worden. Eerst in de 16de en 17üe eeuw, vooral toen het postwezen langzamerhand meer beteekenis kreeg, kwam hierin verbetering. In het midden van de 18de eeuw begon men, het eerst in Frankrijk, vakscholen voor bruggen- en wegbouw op te richten en droeg men den bouw en het onderhoud van de wegen op aan theoretisch en praktisch gevormde ingenieurs, zoodat sedert het einde der 18de eeuw een aantal volgens wetenschappelijke beginselen aangelegde wegen ontstonden. In het begin van de 19de eeuw werden de meeste groote wegen aangelegd. Door de ontwikkeling van het spoorwegnet nam hun beteekenis af, daar deze het grootverkeer geheel aan zich trokken. Andere wegen echter kregen, bijv. als toegangswegen tot de spoorlijnen, een groote beteekenis. De reusachtige ontwikkeling van het verkeer, inzonderheid van het plaatselijk verkeer, had den aanleg van een groot aantal nieuwe wegen tengevolge, zoodat de omvang van den wegbouw, ondanks het zich meer en meer uitbreidende spoorwegnet, niet geringer is geworden. Tegelijkertijd zijn ook de eischen, aan de wegen gesteld, veel hooger geworden.

De regels, waaraan het verkeer op den weg is onderworpen, zijn gedeeltelijk door rijks-, provinciale of gemeentelijke verordeningen vastgesteld, gedeeltelijk zijn zij aan de gebruikers van den weg overgelaten, al naar gelang de wegen publiek of particulier bezit zijn. De eerste worden bij ons te lande verdeeld in r ij k s-, provinciale en gemeent e 1 ij k e w e g e n. Zij dienen voor het pnbiiek verkeer en kunnen daaraan volgens het privaatrecht niet onttrokken worden. In het algemeen belang kunnen echter beperkingen nopens het gebruik voorgeschreven worden. Deze hebben betrekking op het uitwijken, de richting waarin mag worden gereden, de snelheid, de verlichting, de belasting enz. Ook wordt voor het gebruik van sommige we¬

gen een weg- of tolgeld geheven. Voor de rijkswegen is dit echter in Nederland afgeschaft. Ter bevordering van den aanleg van wegen kan onteigening plaats vinden. De kosten van aanleg en onderhoud worden bestreden uit de openbare middelen, of er worden afzonderlijke belastingen geheven, waartoe het genoemde tolgeld, in steden ook de straatbelasting, die van de eigenaren wordt geheven, kan worden gerekend. In sommige landen bestaan, vooral in de wintermaanden, nog zekere gedwongen wegdiensten. In Frankrijk, waar het stelsel der „corvées" voor de „chemins vicinaux" berucht was geworden, werd het bij de wet van den 21sten Mei 1836 zelfs opnieuw geregeld. De particuliere wegen onderscheidt men in b e d r ij f s-, v e 1 d- en a d j acentwegen, dat zijn wegen, welke het gemeenschappelijk eigendom van de aanliggende eigenaren zijn. Een bijzonder instituut vormen in sommige gedeelten van ons land (Salland, den Achterhoek enz.) de zoogenaamde kerkpaden. Het onderhoudt van deze wegen komt voor rekening der eigenaren. Zonder mede-eigenaar te zijn, kan men van rechtswege een recht van uitgang over een particulieren weg bezitten.

De wegenrechten waren het vroegst in Engeland ontwikkeld. Reeds de Anglo-Normandische wetgeving belast de gemeenten met het onderhoud der publieke wegen. In Duitschland behooren de wegenrechten tot de rijkswetgeving. Voor Frankrijk is vooral de reeds genoemde wet van den 21sten Mei 1836 van belang voor den bouw en het onderhoud der „chemins vicinaux". Het groote net van kleinere verbindingswegen dankt daaraan zijn ontstaan.

Weg-ener, Kaspar Frederik, een Deensch geschiedschrijver, geboren in 1802 te Svendborg, studeerde in de theologie en werd vervolgens aangesteld tot lector in de geschiedenis en aardrijkskunde aan de academie te Sorö. In 1847 zag hij zich benoemd tot koninklijk geograaf en in het daaraanvolgende jaar tot geheim archivaris. Hij schreef: „Over Karei de Deen, graaf van Vlaanderen", „Kleine kroniek van koning Frederik VI en den Deenschen boer", „Over Andreas Lörensen Vedel", — „Bijdragen over Sleeswijk-Holstein", een reeks van historische en staatsrechtelijke stukken, om het recht van Denemarken op Sleeswijk te handhaven, „Geschiedkundige mededeelingen over Abrahamstrup" en geschriften over Frederik VI, Christiaan VIII en Frederik VII. Hij overleed te Kopenhagen in 1893.

Weg-ener, Georg, een Duitsch aardrijkskundige en reiziger, geboren den 31s,en Mei 1863 te Brandenburg a. d. Havel, studeerde in de aardrijkskunde, de geschiedenis en de Germaansche wetenschappen te Heidelberg, Leipzig, Berlijn en Marburg en reisde in 1892 in Spanje en in 1896 in Spitsbergen. Van 1898—1899 bezocht hij Ceylon, VoorIndië en den Himalaja, van 1900—1901 N. Amerika, de Duitsche koloniën in den Grooten Oceaan en Nieuw-Zeeland en gedurende den Chineeschen Oorlog als dagbladcorrespondent de provincie Petsjili, later het Yangtsedal en Siam. In 1903 bezocht hij de vulkanische gebieden in W. Indië en vau 1906—1907 Ceylon, Voor-Indië, Malakka, Java, Fransch Achter-Indië, Japan en China. Hij schreef: „Versuch einer Orographie des Kwenlun" (in het „Zeitschrift der Gesellschaft für Erdkunde zu Berlin", 1891), „Herbsttage in Andalusien" (4de

Sluiten