Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

druk, 1903), „Zum ewigen Eise" f1897), „Der Süd- . pol" (1897), „Deutsche Ostseeküste" (1900), „Zur i Kriegszeit durch China" (1902), „Deutschland im ] Stillen Ozean" (1903), „Tibet und die englische . Expedition" (1904) en „Reisen im west-indischen i Mittelmeer" (1904). I

Weg-ers is in den scheepsbouw de naam van langscheepsche eikenhouten verbanddeelen, die den ' vorm van dikke planken hebben en tegen de binnenoppervlakte Van de inhouten bevestigd worden. ■ Wegmeter. Zie Hodomeler.

Wegscheider, Julius August I/udwig, een Duitsch Protestantsch godgeleerde, geboren den 17den September 1771 te Kübbelingen in Brunswijk, studeerde te Helmstadt, en werd in 1805 repetitor te Göttingen, in 1806 hoogleeraar in de theologie en pliilosofie te Rinteln en in 1810 te Halle, waar hij den 278ten Januari 1849 overleed. In zijn „Institutiones theologiae Christianae dogmaticae (1815, 8»te druk, 1844)" beschouwt hij de Christelijke geloofsleer van een rationalistisch standpunt.

Wehl, Feodor, eigenlijk von Wehlen, een Duitsch schrijver, 'geboren den 19'lcn Februari 1821 te Waldenburg in Silezië, studeerde te Berlijn en te Jena in de wijsbegeerte, woonde daarna geruimen tijd als redacteur en feuilletonschrijver te Berlijn, Hamburg en Dresden en werd in 1869 artistiek leider en in 1874 intendant-generaal van den hofschouwburg te Stuttgart, welke betrekking hij bekleedde tot 1884. Daarna vestigde hij zich weder te Hamburg, waar hij den 228ten Januari 1890 overleed. Hij schreef een reeks van kleine blijspelen, zooals: „Die Tante aus Schwaben", „Alter schützt vor Torheit nicht", „Ein Brautigam, der seine Braut verheiratet" enz., die met zijn grootere stukken in 6 deelen (1864—1885) verzameld werden uitgegeven. Verder leverde hij onderscheiden verzamelingen van kleine novellen en verhalen, benevens den dichtbundel: „Vom Herzen zum Herzen" (1867). Van zijn literair-historische en dramaturgische werken noemen wij: „Hamburgs Literaturleben im 18. Jahrhundert" (1856) „Didaskalien" (1867), „Fünfzehn Jahre Stuttgarter Hoftheaterleitung" (1886), „Das junge Deutschland" (1886), „Der Ruhm im Sterben" (1896), „Theodor Storm" (1888), „Zeit und Mensclien" (1889) en „Aus dem frühern Frankreich" (1889). Uit zijn nalatenschap verscheen: „Dramaturgische Bausteine", uitgegeven door Kilian (1891).

Wehrenpfennig-, Wilhelm, een Duitsch schrijver, geboren den 25Bten Maart 1829 te Blankenburg in den Harz, studeerde te Jena en Berlijn in de letteren en werd in laatstgenoemde stad leeraar aan het Joachimsthaler gymnasium en aan het Friedrichsgymn asium. Van 1859—1862 was hij directeur van het persbureau in het staatsministerie. Van 1863—1883 redigeerde hij de „Preuszische Jahrbücher", van 1872—1873 was hij hoofdredacteur van de „Spenersche Zeitung", van 1868 tot 1878 lid van het Huis van Afgevaardigden in Pruisen en van 1869 tot 1881 lid van den Rijksdag. In beide lichamen behoorde hij tot den rechtervleugel der nationaalliberale partij. In 1877 werd hij bij het Pruisische Ministerie geplaatst als referent over de technische scholen enz. en hij werd in 1879 geheim opperregeeringsraad. In 1899 nam hij zijn ontslag. Hij overleed te Berlijn den 258ten Juü 1900. Hij schreef o. a.: „Die Verschiedenheit der ethischen

Prinzipien bei den Hellenen" (1857), „Geschichte der deutschen Politik unter dem Einflusz des italienischen Kriegs" (1860), „Die auszere Politik des Abgeordnetenhauses und die Militarreform" (1860) en „Die Gesetzgebung der Jahre 1871—1876" (1877).

Wehrli, Johann Jakob, een Zwitsersch opvoedkundige, geboren den 6den November 1790 te Eschikofen in Thurgau, was gedurende 20 jaar onderwijzer aan de inrichting van Fellenberg te Hofwil, werd in 1833 directeur van een kweekschool te Kreuzlingen en nam in 1853 zijn ontslag. Hij overleed den 13den Maart 1855 te Guggenbühl. Aldaar had hij een klein opvoedingsgesticht opgericht. Naar het voorbeeld van de school te Hofwil ontstonden in Zwitserland een groot aantal zoogenaamde Wehrlischolm, waarin het onderwijs gepaard gaat met landwerk en handenarbeid. Wehrli schreef: „Naturkundliche Unterhaltungen" (2 afleveringen, 1832—1833).

Wehrlischolen. Zie Wehrli.

Weibnll, Martin, een Zweedsch geschiedkundige, geboren den 248len December 1835 te Landskrona, werd in 1862 leeraar, in 1877 buitengewoon en in 1888 gewoon hoogleeraar in de geschiedenis te Lund. Zijn voornaamste werken zijn: „Sveriges förbund med Frankrike 1672" (1865), „Lunds universitets historia 1668—1868" (met E. Tegner, 2 dln., 1868—1876), „Gustaf II. Adolf" (2de druk, 1894) en „FrÉLn Lund och Lundagêid" (1902). Zijn verhandelingen in de „Acta universitatis Lundensis" (1870, 1892 en 1894) en in het „Svensk Historisk Tidskrift" (1883 en 1887—1888) handelen voornamelijk over de geschiedenis van Christina. Bovendien publiceerde hij verschillende oorkonden, welke betrekking hebben op de geschiedenis van de provincie Schonen en redigeerde hij van 1869—1880 en van 1894—1897 het provinciaal geschiedkundig tijdschrift „Samlingar etc." Hij overleed den 17den April 1902 te Lund.

Weitull, Lauritz, een Zweedsch geschiedkundige, een zoon van den voorgaande, geboren den 2d«n April 1873 te Lund, werd aldaar in 1899 leeraar in de geschiedenis en in 1903 directeur van het provinciaal archief. Zijn grootere werken zijn: „Thomas Thorild, hans ungdom och student&r i Lund" (1896), „De diplomatiska förbindelseren mellan Sverige och Frankrike 1629—1631" (1899), „Diplomaterium dioecesis Lundensis" (1900 en verder), „Bibliotek och arkiv i Sk&ne under medeltiden" (1901) en „Studser i Lunds domkyrkas historia" (1906). In de geïllustreerde „Sveriges historia intill 20de seklet" bewerkte hij de tijdvakken 1611— 1632 en 1654—1660 (dl. 5, 1903—1906), terwijl er verschillende bijdragen van zijn hand verschenen in het „Historisk Tidskrift för Skftneland", door hem in 1902 opgericht.

Weichsel (Poolsch Wisla, Latijn Vistula), een groote Russisch-Duitsche rivier, ontstaat in Oostenrijksch-Silezië aan de noordelijke helling der Beskiden uit de vereeniging van de Witte, Kleine en Zwarte Weichsel (Biala, Molinka en Czorna) - in het dorp Weichsel (Wisla), vormt hier een waterval ter hoogte van 6 m. en stroomt door . een rotsdal tot aan de stad Schwarzwasser, waar zij het berg'and verlaat. Zij scheidt hier Pruisisch-Silezië van Oostenrijksch-Silezië en Galicië, . stroomt vervolgens,na het opnemen.van dePrzemsza

Sluiten