Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een noordoestelijke richting, scheidt Polen van Galicië en treedt beneden Sandomir, na het opnemen van de San, geheel en al op Poolsch grondgebied. Zij stroomt door dit land met een wijden, naar het westen geopenden boog. Bij Poelawy verlaat zij de Zuid-Poolsche hoogvlakte, stroomt echter nog tot aan den mond der Piliza door een vrij nauw dal, tusschen steile, begroeide oevers. Van Poelawy af stroomt zij door een uitgestrekte vlakte tusschen lage oevers, bespoelt Warschau en Nowogeorgiewsk (Modlin), wendt zich, na. het ontvangen van den Boeg, die in den benedenloop naat de voornaamste zijrivier ook wel Narew wordt genoemd, naar het westen en noordwesten, heeft aan de rechter zijde hooge, steile oevers, vloeit langs Plozk en Wloslawsk en komt 15 km. boven Thorn op Pruisisch grondgebied. Beneden den mond van de Brahe en van het Bromberger Kanaal baant zij zich, in noordnoordoostelijke richting, langs Kulm, Schwetz en Graudenz stroomend,een weg door den Baltischen landrug. Hier stroomt zij, terwijl zij zich meermalen in armen verdeelt en boschrijke eilanden en zandplaten vormt, door een diep dal, dat van Thorn af tot aan de Montauer Spitze gemiddeld 8 km. breed is, nu eens langs een oostelijke en dan weder langs een westelijke oeverhoogte, zoodat meestal de eene oever een hoogen, de andere een lagen zoom bezit. Bij de Montauer Spitze verdeelt zich de rivier in twee armen, de Weichsel en de Nogat. Laatstgenoemde arm was vroeger van geringe beteekenis, maar werd door een sterk verval en door uitgravingen allengs breeder en dieper, zoodat hij eindelijk meer water vervoerde dan de Weichsel. Van 1845 tot 1857 is de oude ingang tot de Nogat verstopt en 4 km. lager een kanaal (het WeichselNogatkanaal) uit de Weichsel naar de Nogat aangelegd. De Nogat, 60 km. lang, heeft na dien tijd veel water verloren en is op haar bovenste gedeelte nauwelijks bevaarbaar, stroomt langs Marienburg en valt met onderscheiden monden in het Frische Haff. Door het Kraffohlkanaal (5,9 km. lang) heeft zij gemeenschap met de Elbingrivier. De Nogat en de Weichsel stroomen door een zeer vruchtbare delta, welke tusschen Danzig en Elbing een breedte heeft van 53 km., zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verheft, zelfs hier en daar beneden den spiegel der Oostzee gelegen is en den naam van Werder draagt; door deze delta stroomt de Weichsel langs Dirschau in noordelijke richting naar Danziger Hoofd, waar op den rechter oever de Elbinger Weichsel een zijtak vormt, die met onderscheiden armen uitmondt in het Frische Haff. Bij normalen waterstand ontvangt de Elbinger Weichsel geen water meer uit de Weichsel; de directe verbinding tusschen de Nogat en het Frische Haff wordt gevormd door het Weichsel-Haffkanaal. De hoofdrivier wendt zich nu naar het noordwesten en mondt sedert de doorbraak der duinen in den nacht van den lsten op den 2aen Februari 1840 bij Neufahr in de Oostzee uit. Deze mond is sterk verzand en niet geschikt voor de scheepvaart, welke plaats heeft over de oude Weichselbedding langs Danzig. Door de sluis van Grosz-Plehnendorf nabij de doorbraak van Neufahr van de Weichsel gescheiden, staat de waterhoogte in dien buitenarm bijna gelijk met die der Oostzee. De schepen bereiken de Oostzee bij Neufahrwasser, waar de oude mond (de Norderfahrt) thans afgedamd is, door het kanaal Wester-

fahrt of Neufahrwasser. Van 1888—1896 werd de binnennehrung van Siedlersfahre tot Schienwenhorst doorgestoken en aan de uitmonding een noordelijke in plaats van een noordwestelijke richting gegeven.

De bron van deze rivier, welke een stroomgebied heeft van 191 406 v. km., de plaats waar zij Pruisen bereikt, en haar mond liggen nagenoeg onder denzelfden meridiaan (18°50 Ö. L. v. Gr.). Haar lengte bedraagt 1050 km., en van deze zijn 251 in Pruisen gelegen. De waterspiegel der rivier verheft zich aan den mond der Przemsza 228, bij Thorn 35 en bij Dirschau 3 m. boven de oppervlakte der zee. De diepte, in haar benedenloop afwisselend tusschen 2 en 7 m. en in de haven van Danzig 5,6 m. bedragend, is wegens de verplaatsing van reusachtige massa's zand in de verschillende jaren zeer verschillend. Aan den mond der Przemsza wordt de Weichsel bevaarbaar voor kleine, bij Krakau voor middelmatige en bij Zawichost, beneden den mond van de San, voor grootere vaartuigen; zeeschepen kunnen Danzig bereiken. Door het Bromberger (Netze-) Kanaal heeft de Weichsel gemeenschap met de Oder. De aanzienlijkste zijrivieren van de Weichsel zijn aan den linker oever; de Przemsza de Piliza, de Bzura, de Brahe, de Schwarzwasser, de Montau, de Ferse en de Mottlau met de Radaune, en aan den rechter oever: de Sola, de Skawa, de Raba, de Dunajec, de Wysloka, de San, de Wieprz, de Boeg met de Narew, de Drewenz, de Ossa en de Liebe (Oude Nogat). In de Weichsel vindt men een groot aantal zandbanken, die bij elke opstuwing van het rivierwater gewijzigd worden en de scheepvaart belemmeren. Er wordt echter aan de normaliseering van de rivier, niet alleen in Pruisen, maar ook in Rusland en Oostenrijk, ijverig gewerkt. Jaarlijks heeft men er tot driemaal toe overstroomingen: de eerste en gevaarlijkste in April met een duur van omstreeks twee weken, de tweede omstreeks St. Jan en de derde vier weken daarna. Gemiddeld vriest de Weichsel omstreeks den 248ten December bij Warschau dicht, om ongeveer den 7den Maart te ontdooien. Tengevolge van den ijsgang hadden in December 1876 en in Maart 1888 doorbraken plaats, welke de geheele lage vlakte tusschen de Nogat, de rivier Elbing en den rijweg naar Marienburg prijs gaven aan het water. Op de rivier gebruikt men platboomde vaartuigen van verschillende grootte, welke na het lossen gesloopt en verkocht worden, alsmede vele vlotten en eindelijk ijzeren schepen, die door sleepbooten naar hun bestemming worden gebracht. De Weichsel bevat veel visch. Als waterweg bewijst zij groote diensten aan landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart; langs haar wateren worden inzonderheid groote hoeveelheden graan en hout naar Danzig gebracht. Onderscheiden forten en vestingen beheerschen dezen stroom, zooals: Krakau, Iwangorod, Nowogeorgiewsk, Warschau, Thorn en Danzig.

Weichselroer is de naam van een welriekend pijpenroer. Het echte of Turksche weichselroer wordt vervaardigd van het hout van Prunus Mahaleb, een struik, die vooral in Oostenrijk wordt aangekweekt. Het zoogenaamde onechte weichselroer is afkomstig van andere soorten uit het geslacht Prunus. De aromatische reuk ontstaat door het cumarine, dat zich in de bast bevindt.

Weichselvlecht of Poolsche vlecht (plica

Sluiten