Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pólonica, Irichoma, coma caesarea) is de naam van een chronische ziekte der behaarde lichaamsdeelen, waardoor de haren tot een verwarde massa samenkleven. Deze ziekte was in de Middeleeuwen geen zeldzaamheid, maar komt in onze dagen niet dikwijls voor, het meest nog in Posen, Polen en in de Donaugewesten. Zij ontstaat eerst op enkele plaatsen en vervolgens over de geheele oppervlakte der behaarde hoofdhuid als een vochtige uitslag (eczema capüliiiï), welke droge roven voortbrengt, waarin het haar samenbakt tot een viltachtigen koek. Daar het uitkammen pijn veroorzaakt en wegens ingewortelde volksvoordeelen nagelaten wordt, wordt deze haarmassa door uitzweeting en allerlei vuil en ongedierte allengs dichter en afzichtelijker. Deze ziekte ontstaat tengevolge van onreinheid, dikwijls bij een langdurig ziekbed. Het bijgeloof heeft er vaak een voorbehoedmiddel en geneesmiddel tegen ziekte en betoovering in gezien. Zindelijkheid en een doelmatige verpleging van het haar en van de huid zijn de beste voorbehoedmiddelen tegen deze ongesteldheid.

Welde of Weiland is een hoofdzakelijk met gras begroeid veld, dat gebruikt wordt voor het weiden van vee. Het weiden geeft besparing van arbeid, eischt echter voor een gelijken veestand een grootere oppervlakte gronds dan stalvoedering, zoodat niet steeds de grootste zuivere opbrengst wordt verkregen. De weidegang bevordert in het algemeen de gezondheid en de krachtige ontwikkeling van het vee; bij melkvee wordt de melkgeving er in hooge mate door bevorderd; de teelt van paarden en ander arbeidsvee eischt in het algemeen de beschikking over goede weiden.

Ten einde de beste weiden te verkrijgen, is het gewenscht, deze nimmer te hooien, maar uitsluitend voor de weiderij, in 't bijzonder voor vetweiderij te gebruiken. De weiden moeten goed ontwaterd en goed bemest worden. Voor het verkrijgen van het meeste gras is het gewenscht, de weidedieren in het voorjaar niet te vroeg in de weide te brengen, vooral niet als het land nog nat is; tevens is het doelmatig, het land niet voortdurend kaal te houden, doch evenmin om het gras te lang te laten worden. Kleine perceelen laten zich in het algemeen voordeeliger beweiden dan groote, maar zijn voor de ontwikkeling van het vee dikwijls minder goed. Voor een voordeelige weiderij is het in het algemeen gewenscht, verschillende veesoorten te laten afwisselen. De runderen moeten de andere veesoorten voorafgaan, aangezien ze het langste gras vragen; daarna kunnen geschikt paarden en vervolgens doelmatig schapen worden geweid. De laatste weiden het gras het kortst en meest gelijkmatig af. Schapen voor ander vee aan te weiden, is bovendien minder doelmatig, omdat ze aan het gras een eigenaardige lucht geven, die het andere vee onaangenaam is, zoodat deze het gras minder gretig opnemen.

Weiderecht (Senitus pascendi) is de naam van een in zeer verschillende maatschappelijke en juridische vormen voorkomend recht, krachtens hetwelk iemand vee mag doen weiden op gronden, die niet zijn privaat eigendom zijn. De meest voorkomende vormen zijn: 1°. weiderecht, dat zich de oorspronkelijke bezitter heeft voorbehouden; 2°. weiderecht van de gemeentenaren op de gemeentelijke weiden (zie Allmend); 3°. recht van de tot de gemeente behoorende boeren om hun vee in één

vereenigde kudde op de gronden der medeleden te doen weiden (k o p p e 1 w e i d e). Is aard en aantal van het vee, dat op de weide gebracht mag worden, vastgesteld, dan spreekt men van een J>epaald, in het andere geval van een onbepaald weiderecht. Als regel geldt dan meestal, dat men zooveel stuks vee mag opdrijven, als men met eigen verbouwd voeder kan doorwinteren. In het algemeen worden thans de weiderechten schadelijk geacht, omdat zij het aanbrengen van verbeteringen tegen gaan. Door verdeeling, samenvoeging of afkoop tracht men hen in onzen tijd op te heffen.

Weigand, Friedrich Luimig Karl, een Duitsch beoefenaar der Germaansche talen, geboren den 18aen November 1804 te Niederflorstadt in de Wetterau, bezocht de kweekschool van onderwijzers te Friedberg, was vervolgens verscheiden jaren huisonderwijzer bij generaal Muffling te Mainz en studeerde van 1830—1833 aan de hoogeschool te Gieszen in de godgeleerdheid en wijsbegeerte. Daarna was hij gedurende eenigen tijd als leeraar werkzaam. Nadat hij reeds in 1849 aan de universiteit te Gieszen philologische voorlezingen geopend had, werd hij in 1851 aldaar tot buitengewoon en in 1867 tot gewoon hoogleeraar benoemd. Hij overleed den 308ten Juni 1878. Van zijn geschriften vermelden wij: „Kurze deutsche Sprachlehre" (1838), „Wörterbuch der deutschen Synonymen" (3 dln., 1840—1843), „Untersuchungen über oberhessische Ortsnamen" (1863) en „Deutsches Wörterbuch" (oorspronkelijk uitgegeven als 3de omgewerkte druk van het „Kurzes deutsches Wörterbuch" van Schmitthenner, 2 dln., 1866—1868, laatste druk, sedert 1907). Na den dood van J. Grimm nam hij met R. Eildébrand de voortzetting van het Duitsche woordenboek der gebroeders Grimm, waaraan hij van den aanvang af aan gewerkt had, op zich.

Weigand, Gustav, een Duitsch romanist, geboren den lstcn Februari 1860 te Duisburg, studeerde te Leipzig in de Germaansche en Romaansche taal- en letterkunde, vestigde zich aldaar in 1891 als privaatdocent en werd in 1897 benoemd tot buitengewoon hoogleeraar. Hij bezocht vooral de Roemeensche landen en was de eerste die het Z. Roemeensch (Aromoensch) bestudeerde. Hij is directeur van het Instituut voor Roemeensche taaien letterkunde, dat de Roemeensche regeering aan de hoogeschool te Leipzig onderhoudt, en geeft sedert 1894 het „Jahresbericht" daarvan uit. Sedert 1907 staat hij ook aan het hoofd van een Bulgaarsch instituut. Van zijn hand verschenen: „Die Sprache der Olympo Walachen" (1888), „Blacho Meglen" (1892), „Die Aromunen" (dl. 1 en 2, 1894—1896), „Der Banater Dialekt" (1896), „Linguistischer Atlas des dakorumanischen Sprachgebietes" (Aflev. 1—8, 1898—1907), „Praktische Grammatik der rumanischen Sprache" (1903), „Die Dialekte der Bukowina und Bessarabiens" (1904) en „Bulgarische Grammatik" (1907).

Weigel, Valentin, de stichter van een mystieke secte in de 17de eeuw, werd geboren in 1533 te Groszenhain in Saksen, studeerde te Leipzig en Wittenberg, werd in 1667 godsdienstleeraar te Zschopau en overleed den 10den Juni 1588. Zijn geschriften, gedeeltelijk eerst lang na zijn dood door den cantor Weichert in het licht gegeven (1611— 1621), die er misschien zelf veel aan toevoegde, bevatten een^ mengsel van natuurkundig-wijsgeerige

Sluiten