Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denkbeelden met de mystiek van Paracelsus en Tauler. Vele daarvan werden op hoog bevel in 1624 te Chemnitz in liet openbaar verbrand. Intusschen had hij reeds vele aanhangers verworven, die den naam van Weigelianen droegen. De meest bekende onder dezen zijn Jesaias Stiefel (f 1627) en zijn neef Ezechiel Meth (f 1640), die zich zeiven beschouwden als iiicarnatiëu van Christus en van den aartsengel Michael, alsmede Paul Nagel, Kraus Engelbrecht en Jacob Bohme.

Weigel, Johann August Gottlob, een Duitsch boekhandelaar en kunstkenner, geboren te Leipzig den 23sten Februari 1773, werd in 1795 tot proclamator bij de universiteit benoemd en stichtte in 1797 aldaar een antiquarischen boekhandel, waarvan hij in zijn „Apparatus litterarius" (1807, nieuwe druk, 1834) en in zijn „Index librorum bibliophili Weigelii" (2 stukken, 1838) belangrijke catalogen leverde. Verder gaf hij een groot aantal voortreffelijke werken in het licht, hoofdzakelijk letterkundige en klassieke werken, terwijl hij zelf dikwijls de uitgevers daarvan in de gelegenheid stelde tot het vergelijken van handschriften enz. Ook stichtte hij een belangrijke verzameling van schilderijen, oorspronkelijke teekeningen, koper- en houtgravures enz., die hij beschreef in het werk: „Aehrenlese auf dem Felde der Kunst" (3 dln., 1836—1845). Hij overleed den 25sten December 1846, waarna zijn zaak overging op zijn jongsten zoon Theodor Oswald, geboren in 1812 en overleden den 2den Juli 1881. Deze leverde met Zestermann: „Die Anfange der Druckerkunst in Bild und Schrift" (2 dln., 1866), en het „AutographenPrachtalbum" (1848—1849). In 1888 ging de uitgeverszaak T. O. Weigel over aan dr. Christian Herrmnn Tauchnitz te Leipzig. De oudere broeder van Theodor Oswald, Rudolf (1804—1867) stichtte in 1831 te Leipzig een kunsthandel, gaf een „Kunstlagerkatalog" (35 dln., 1834—1867) in het licht en schreef o. a.: „Die Werke der Maler in iliren HandZf'ichnungen" (1865), en „Holzschnitte berühmter Meister" (1851—1857, met 66 facsimilé's). Zijn zaak kwam na zijn dood in handen van Hermann Vogel. Na den dood van Theodor Oswald Weigel werd zijn antiquarische boekhandel voortgezet door zijn zoon Felix Oswald Weigel (1848—1905). Thans staat diens weduwe aan het hoofd van de zaak, die den naam firma Oswald Weigel draagt.

Weigelia of Diervilla is de naam van een plantengeslacht uit de groote familie der Compositae. Het omvat heesters, die voor den tuinbouw van belang zijn, wegens haar versieringswaarde. Bekend zijn: Diervilla trifida of driebloemige Weigelia uit Canar da, D. rivularis uit de Oostelijke staten van NoordAmerika en D. sessilifolia uit Noord-Carolina. Meer van belang is: D. florida reeds in 1835 door von Siebold uit China geimporteerd. Tegenwoordig zijn waardevolle vormen D. f. augustifolia, D. f. nana fol. variegatis, D. f. striata, D. f. alba, D. grandiflora, de grootbloemige weigelia, met de vormen D. g. sulphurea en D. g. van Houttei. Deze laatste vormt een der fraaiste heesters. Verder moeten genoemd worden D. intermedia met enkele tuinvormen, een kruisingsproduct van D. florida en D. grandilfora. D. floribunda, de rijkbloeiende weigelia en D. Lavallei een kruisingsproduct van D. floribunda en D. versicolor. De vermeerdering geschiedt door stekken van rijp en groen hout.

Wei-hai-wei, een havenplaats op de N. kust van het schiereiland Sjantoeng, ligt aan een inham van de Gele Zee, waarvan de toegang door het eiland Lioekoengtau wordt vernauwd. Bij het verdrag van den 2den April 1898 werd Wei-hai-wei met zijn omgeving, benevens de inham met zijn eilanden aan Engeland verpacht voor den tijd, gedurende welken Rusland Port Arthur nog zou bezitten. Niettegenstaande deze overeenkomst is het thans nog een Engelsche pachtkolonie. Deze beslaat een oppervlakte van 738 v. km. en telt ongeveer 130 000 inwoners. Bovendien bezit Engeland het recht, om op een terrein van ongeveer 400 v. km. versterkingen te bouwen en openbare werken uit te voeren. Chineesche en Engelsche troepen en ook oorlogsschepen, hebben er toegang. Het bestuur berust bij een Engelschen commissaris naast een Chineesche overheid. Behalve Chineesche scholen bezit Weihai-wei een Engelsche school op Lioekoeng. Het is een schilderachtig rotslandschap met vruchtbare, volkrijke dalen. De kolonie brengt graan, groenten en wilde zijde voort. Verder beoefenen de inwoners de vischvangst. Ingevoerd worden petroleum, meel, katoen, suiker, hout en steenkool; uitgevoerd worden aardnoten en gezouten visch. De haven is tolvrij. Versterkingen werden tot dusver door Engeland niet gebouwd.

Weihslën, een stad in de Chineesche provincie Sjantoeng, is voor handel en verkeer van belang door haar ligging aan den weg van Tsinanfoe over Laitsjoufoe naar Tsjifoe en aan den spoorweg Tsingtau—Tsianfoe. Zij vormde reeds vroeg een levendige handelsplaats en is als spoorwegstation en door de ontginning van het in de nabijheid gelegen steenkolenveld door een Duitsche maatschappij, nog in belangrijkheid toegenomen. De plaats bestaat uit een ambtenaren- en een handelswijk, die, beide door een muur omgeven, door de Pailangrivier gescheiden worden.

Weil, Gustav, een Duitsch geleerde, geboren den 25sten April 1808 te Sulzburg, studeerde eerst in de godgeleerdheid, in de letteren, geschiedenis en Oostersche talen, vervolgens te Parijs in het Arabisch en woonde daarop vijf jaar te Kaïro. Na zijn terugkeer werd hij collaborator aan de universiteitsbibliotheek te Heidelberg, in 1838 bibliothecaris, in 1848 buitengewoon en in 1861 gewoon hoogleeraar in de Oostersche talen. Hij overleed den 309ton Auguntus 1889 te Freiburg in de Breisgau. Van zijn werken noemen wij: „Goldene Halsbander" (1836, een vertaling van een werk van Zamachsjari), „Die poetische Literatur der Araber" (1837), een vertaling van „Duizend en een nacht" (4 dln., 1837— 1841; laatste druk, 1906), „Einleitung in den Koran" (1844; 2de druk, 1878), „Mohammed der Prophet" (1843), „Geschichte der Chalifen" (3 dln., 1846—1851) en daarbij als aanvulling dL 4 en 5 „Geschichte des Abassidenchalifats in Aegypten" (1860—1862), verder de vertaling: „Leben Mohammeds nach Mohammed Ibn Ishak, bearbeitet von Abd el Malik Ibn Hischam" (2 dln., 1864) en een „Geschichte der islamitischen Völker von Mohammed bis zur Zeit des Sultans Selim" (1866).

Weil, Henri, een Fransch geleerde, geboren den 26aten Augustus 1818 te Frankfort aan den Main, studeerde te Bonn, Berlijn en Leipzig, verwierf in 1845 te Parijs het diploma van docteur ès lettres, werd suppléant van den hoogleeraar in de oude let-

Sluiten