Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teren aan de faculté des lettres te Straatsburg, liet zich in 1848 naturaliseeren en werd in 1849 benoemd tot hoogleeraar in de klassieke letterkunde aan de faculté des lettres te Besan?on en in 1876 tot professor in de Grieksche letterkunde aan de école normale supérieure te Parijs en aan de école des hautes études. In 1882 werd hij lid van het Institut. Hij maakte zich inzonderheid verdienstelijk voor de Grieksche letterkunde. Van de door hem bezorgde uitgaven en geschriften noemen wij: „Aeschyli tragoediae (9 dln., 1858—1867, nieuwe bewerking, 1884), „Sept tragédies d'Euripide" (1860 en later), „Un papyms inédit, nouveaux fragments d'Euripide et d'autres poètes grecs" (1879), „Des harangues de Démosthène" (1873, 2de druk, 1881), „Les plaidoyers politiques de Démosthéne" (2 dln., 1881—1886), „De 1'ordre des mots dansles langues anciennes comparées aux langues modernes" (1844, 3de druk, 1879), „Théorie générale de 1'accentuation latine" (met Benloew, 1855), „Etude sur le drame antique" (1897), „Etudes sur 1'antiquité grecque" (1900) en „Etudes de littérature et de rhytmique grecques" (1902). Op zijn 80sten verjaardag wijdden zijn vrienden hem den feestbundel: „Mélanges Henri Weil. Recueil de mémoires concernant 1'histoire et la littérature grecques" (1898). Hij overleed te Parijs den 5den November 1909.

Weiland, Petrus, een Nederlandsch taalkundige, geboren te Amsterdam den 5den November 1754, studeerde te Leiden en werd achtereenvolgens Remonstrantsch predikant te Woerden, Utrecht en Rotterdam, ontving in 1828 het emeritaat en overleed in laatstgenoemde stad den 26Bten Januari 1842. Hij leverde een verhandeling over het Protestantsch beginsel van zelfstandig onderzoek in de werken van Teylers Genootschap, verder „Leerredenen naar de behoeften van onzen tijd" (1794) en een „Nederduitsch taalkundig woordenboek" fll dln., 1799—1812), later herdrukt en ook ingekort tot 5 dln., in 1806). Toen in den aanvang der 19de eeuw de regeering zich bemoeide met de Nederlandsche taal, ontving hij met Siegenbeek den last tot verbetering en regeling der spelling en schreef: „Nederduitsche spraakkunst" (1805 en later), „Handwoordenboek voor de spelling der Hollandsche taal", „Kunstwoordenboek of verklaring van vreemde woorden en spreekwijzen, uit verschillende talen ontleend" (1824), „Woordenboek der Nederduitsche synoniemen" (3 dln., met Landrè, 1825), „Handwoordenboek der Nederduitsche en Fransche talen" (2 dln., met Agron, 1828) en „Beginselen der Nederduitsche spraakkunst" (met Van Bemmeleri).

Wellen, Joseph, eigenlijk Weil, ridder von, een dramatisch dichter, geboren den 283tcn December 1828 te Tetin bij Praag, bezocht het gymnasium in laatstgenoemde stad, vertrok in het begin van 1848 naar Weenen, om aldaar zijn studiën voort te zetten, maar werd in de Maartrevolutie betrokken en in November, toen er de staat van beleg was afgekondigd, als gemeen soldaat ingelijfd in een infanterieregiment in Hongarije. Hij werd reeds in December 1849 bevorderd tot officier, in 1852 leeraar in de geschiedenis en aardrijkskunde aan de militaire school te Hainburg, kort daarna luitenant-kolonel en in 1854 professor in de geschiedenis aan de academie voor de genie te Znaïm. Li 1861 werd hij verplaatst naar Weenen als scriptor aan de Hof-

bibliotheek en als hoogleeraar in de Duitsche letterkunde aan de school van den generalen staf. Hij richtte in 1873 aan het conservatorium van het genootschap van muziekliefhebbers een tooneelschool op. In 1874 verkreeg hij van den keizer de Orde van de IJzeren Kroon, welke adeldom verleent. Hij schreef: „Phantasien und Lieder" (1853), „Manner vom Schwerte" (3de druk, 1855), „Gedichte" (1863), de tooneelwerken „Tristan" (1860, 2de druk, 1872), „Am Tage von Oudenarde" (1865), „Edda", „Drahomira" en „Rosamunde", verzameld in zijn „Dramatische Dichtungen" (3 dln., 1868—1870), „Graf Horn" (1871), „An der Pforte der Unsterblichkeit" (1872), „Der neue Achilles" (1872), „Dolores" (1874), „Heinrich von der Aue" (1884) „König Erich" (1881), „Aus dem Stegreif" (1876), en de romans: „Unersetzlich" (1879) en „Daniela" (1883). Als tooneeldichter behoorde hij tot de school van Halm. Sedert 1884 redigeerde hij: „Die Österreichisch-Ungarische Monarchie in Wort und Bild". Hij was gedurende langen tijd voorzitter van de vereeniging van journalisten en schrijvers Concordia. Hij overleed te Weenen den 3den Juli 1889.

Weilsohe ziekte is de naam van een acute infectieziekte, die het eerst door Weil in 1886 werd beschreven. Zij wordt gekenmerkt door hevige algemeene ziekteverschijnselen, koortsen, geelzucht en aandoeningen van milt, lever en nieren. Zij komt het meest midden in den zomer bij krachtige jonge menschen voor. De oorzaak van deze ziekte is niet bekend.

Weimar, de hoofd- en residentiestad van het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, ligt aan de Hm en aan eenige spoorwegen, 212 m. boven den zeespiegel. Het voornaamste gebouw is het groothertogelijk residentiepaleis, dat na den brand van 1774 van 1790—1803 opnieuw werd opgetrokken. Het bevat een aantal bezienswaardige kunstwerken, de kamer van hertog Bemhard en de vier „Dichterzimmer", aan Goethe, Schiller, Herder en Wieland gewijd, met fresco's van Neher, Preller en Jager. Voor het kasteel heeft men een fraai park met het Romeinsche Huis, het Tempelheerenhuis, de gedenkteekenen voor Liszt en Shakespeare en vele herinneringen aan Goethe. Aan de overzijde van de Ilm, in de nabijheid van het Park, verheft •zich het tuinhuis van Goethe. Van de overige gebouwen van Weimar noemen wij: het Roode slot (in 1574 gebouwd) thans de zetel van regeeringscolleges), het Gele Slot, door den Gleichenschen Hof met het voorgaande verbonden (de zetel van het departement van Financiën), het Groene Slot met de groothertogelijke bibliotheek met omstreeks 180000 deelen en 8000 kaarten, het vorstenhuis met de bureaux van de departementen van Binnenlandsche Zaken en de Standenzaal, het Wittumpaleis, vroeger bewoond door hertogin Anna Amalia, het in Gotischen stijl gebouwde raadhuis, het museum met de Odyssee, fresco's van Preller, de groothertogelijke paardenstallen, het Sophiasticht, het staatsarchief, het Goethearchief, het Schillerarchief enz. Het nieuwe hoftheater verving in 1907 het gebouw van 1825, dat in laatstgenoemd jaar in de plaats kwam van den schouwburg, die door Goethe en Schiller was bestuurd. Verder vindt men er het woonhuis van I/ukas Cranach, het Goethe- en Schillermuseum (in Goethe's woonhuis, se-

Sluiten