Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dert 1886), het huis van Schiller, dat in 1847 door de stad werd aangekocht, en de huizen van Wieland en Herder. Van de pleinen zijn het Vorstenplein met het standbeeld van groothertog Karl August, het Marktplein, het Karlsplein met het standbeeld van groothertog Karl Alexander, het Watzdorfplein met het krijgsmonument van Hartel, het Karl Augustplein met de buste van den erfgroothertog Karl August en het Jubileumsplein te noemen. Van de overige standbeelden vermelden wij: het bronzen dubbelbeeld van Goethe en Schiller, door Rietschei vervaardigd en in 1857 op het schouwburgplein onthuld, het gedenkteken van Wieland, ontworpen door Gasser, het standbeeld van Herder, afkomstig van Schalier, de buste van groothertog Karl August en het standbeeld van den componist Hummel (1895). Weimar bezit Protestantsche kerken, een R. Katholieke en een Engelsche kerk, alsmede een Grieksche kapel. In de Protestantsche hoofdkerk bevinden zich prachtige praalgraven van vorsten uit het Huis Weimar en onderscheiden schilderijen van Cranach, van welke het altaarstuk, de „Kruisiging van Christus", tot zijn meestberoemde schilderijen behoort. Het kerkhof der Jacobikerk bevat de praalgraven van Cranach, Musdus en Bode, het Nieuwe Kerkhof den vorstelijken grafkelder met het praalgraf van Karl August en de eikenhouten sarcofagen van Goethe en Schiller, het mausoleum der grootvorstin Maria Paulovma en de graven van Hummel, Falk, Röhr enz.

Weimar is de zetel van het staatsbestuur met zijn ministerieele departementen en van verschillende rechtbanken.Men vindt er een gymnasium, een reaalgymnasium, een kweekschool van onderwijzers, een schilderschool, een school voor kunstnijverheid, een atelier voor beeldhouwers, een orkestschool, een museum met een kabinet voor kopergravures, het Donndorfmuseum, een bibliotheek, een ambachtsschool, een school voor bouwkundigen, een teekenschool, een instituut voor blinden en doofstommen, een weeshuis, verbonden aan het opvoedingsgesticht van Falk voor verwaarloosde kinderen, een inrichting voor ziekenverpleegsters, de Marie Seebachinrichting voor tooneelspeelsters enz. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 31117. De stad bezit een aantal fabrieken, o. a. voor ijzeren vaten en desinfectietoestellen, voor parketvloeren, kachels, ijzerwaren, metaal, stroohoeden, handschoenen, papier, kartonwaren, piano's, bier, tichelsteenen enz.; ook vindt men er een geografisch instituut met een fabriek voor globes, een lithografische inrichting, een chemische fabriek enz. Er zijn drukke markten voor vee, wol, olievruchten en uien. De stad bezit electrisch tramverkeer. De omstreken zijn fraai.

Weimar behoorde tot 1140 aan het geslacht van de graven van Orlamünde. Na het uitsterven van dit geslacht viel het ten deel aan Aïbrecht den Beer en zijn nakomelingen, daarna aan het geslacht Weitin. Bij de verdeeling tusschen Ernst en Allert (1485) kwam Weimar met Thüringen aan de Ernestijnsche lijn; het was van 1547—1564 en sedert 1572 residentie. In Augustus 1560 had er het mondgesprek plaats tusschen Flacius en Strigel. Het schitterendst tijdperk in de geschiedenis van Weimar was dat der regeering van Karl August, toen de stad door de aanwezigheid van Goethe, Schiller, Wieland, Herder enz. het middelpunt van

het geestelijk leven in Duitschland werd. Ook door de opvolgers van Karl August werden kunsten en wetenschappen bevorderd.

Weinbrenner, Friedrich, een Duitsch architect en schrijver, geboren te Karlsruhe den 9de* November 1766, studeerde te Karlsruhe, belastte zich in 1787 met het toezicht op onderscheiden gebouwen in Zwitserland en vertrok in 1791 naar Italië. Te Rome restaureerde, hij verschillende antieke gebouwen en leverde vele ontwerpen. Nadat hij in 1797 was teruggekeerd, vestigde hij zich te Straatsburg, waar hij ontwerpen vervaardigde voor het gedenkteeken van Desaix, voor dat van generaal Beaupuy bij Neu-Breisach, voor het nationaal gedenkteeken der Republiek op het plein van het Ch atcau des Trompettes te Bordeaux en voor een vredezuil te Straatsburg. Deze ontwerpen legden den grond voor zijn roem, zoodat hij tot inspecteur der gebouwen en later tot hoofddirecteur van het bouwwezen te Karlsruhe werd benoemd. Hier bouwde hij de nieuwe R. Katholieke en de Luthersche Kerk, de Synagoge, het raadhuis, den schouwburg, de Ettlinger Poort, een kazerne en onderscheiden paleizen. Hij overleed aldaar den l8ten Maart 1826. Van zijn leerlingen noemen wij: Moller, Eisenlóhr en Hübsch. Hij schreef „Ueber Theater in architektonischer Hinsicht" (1809), „Architektonisches Lehrbuch" (3 dln., 1810—1825), „Entwürfe und Erganzungen antiker Gebaude" (2 stukken, 1822—1834), — „Ausgeführte und projektierte Gebaude" (4 stukken, 1823—1825) en „Denkwürdigkeiten" (1829).

Weingarten, Hermann, een Duitsch theoloog, geboren te Berlijn den 12den Maart 1834, studeerde te Jena en Berlijn, vestigde zich in laatstgenoemde stad als privaatdocent en werd er in 1868 buitengewoon hoogleeraar, terwijl hij tevens (1858 —1864) als adjunct aan het koninklijk Joachimsthaler gymnasium en tot 1873 aan de Andreasschool werkzaam was. In 1873 werd hij hoogleeraar te Marburg, in 1876 te Breslau. Hij overleed den 25sten April 1892 in het sanatorium Pöpelwitz bij Breslau. Van zijn geschriften vermelden wij: „Pascal als Apokiget des Christentums" (1862), „Die Revolutionskirchen Englands" (1868), „Zeittafeln und Überblick zur Kirchengeschichte" (1870, 6de druk, 1905) en „Der Ursprung des Mönchttums im nachkonstantinischen Zeitalter" (1877). Ook gaf hij de „Vorlesungen über Kirchengeschichte" (2 dln., 1875) van Richard Rothe in het licht.

Weingarten, Julius, een Duitsch wiskundige, een broeder van den voorgaande, geboren den 25e,el1 Maart 1836 te Berlijn, vestigde zich aldaar in 1864 als privaatdocent, werd er in 1871 hoogleeraar aan de Bouwkundige Academie en in 1879 aan de Technische Hoogeschool. Hij hield zich voornamelijk bezig met onderzoekingen op het gebied der hoogere meetkunde en vestigde het eerst de aandacht op de oppen-lakken, waarbij de eene kromtestraal een functie van de andere is. Van zijn hand verscheen: „Über die Theorie der aufeinander abwickelbaren Oberflachen" (1884), terwijl zijn verhandeling „Sur la déformation des surfaces" in 1894 door de Parijsche Academie met den grooten prijs voor wiskunde werd bekroond.

W eingartner, Felix, een Duitsch-Oostenrijksch componist en muziekschrijver, geboren den 2den Juni 1863 te Zara (Dalmatië), studeerde te

Sluiten