Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de universiteit, werd in 1670 professor aan het gymnasium te Weiszenfels, in 1678 rector van het gymnasium te Zittau en overleed aldaar den 218tel1 October 1708. Hij was een uitstekend onderwijzer, voerde het eerst de Duitsche taal bij het onderwijs aan de gymnasiëa in en schreef leerboeken voor verschillende vakken o. a. voor dichtkunst en welsprekendheid. In zijn gedichten en in zijn romans verviel hij, daar hij de bombast van Lohenstein en Hoffmanswaldau wilde vermijden, dikwijls tot alledaagschheid en breedsprakigheid. In zijn schooldrama's getuigen vele tooneelen van zijn scherpe opmerkingsgave. Hij schreef o. a.: „Curieuse Gedanken von deutschen Versen" (2 dln., 1691— 1693), „tlberfliissige Gedanken der griinenden Jugend" (1668), „Reife Gedanken" (1683), „Der griinenden Jugend notwendige Gedanken" (1690), „Tugendlieder" (1719) en „Busz- und Zeitandachten" (1720), verder eenige romans, zooals: „Die drei argsten Erznarren in der ganzen Welt" (1672), „Die drei klügsten Leute in der ganzen Welt" (1673), niet minder dan 64 tooneelspelen, gedeeltelijk nog ongedrukt en gedeeltelijk verzameld in het „Zittanisches Theatrum" (1683), in „Jugendlust" (1684) en in „Proben von der vertrauten Redekunst" (1700). Tot zijn interessantste stukken behooren: „Masaniello" (1682), „Der baurische Machiavellus" (1679) en „Die unvergnügte Seele" (1688).

Weishaupt, Adam, de stichter van de Orde der Illuminaten, geboren te Ingolstadt den 6den Februari 1748, studeerde aldaar in de rechten, werd in 1775 hoogleeraar in het natuurrecht en het kerkelijk recht, trad, hoewel zelf een kweekeling der Jezuïeten, na de opheffing der Orde als een vijand van deze op en zocht door woord en schrift de stichting te bevorderen van een vereeniging, wier leden zich door zuivere zeden tot de hoogste volkomenheid zouden verheffen. Hiertoe moest de Orde der Illuminaten dienen, waardoor hij in botsing geraakte met de voorstanders der Vrijmetselarij. Nadat hij in 1785 zijn hoogleeraarsbetrekking had nedergelegd, begaf hij zich naar Gotha, waar hij door hertog Ernst 111 tot raad van legatie en vervolgens tot hofraad benoemd werd en den 18den November 1830 overleed. Van zijn geschriften vermelden wij: „Apologie der Illuminaten" (1786), „Das verbesserte System der Illuminaten" (1787, 3de druk, 1818), „Pythagoras oder Betraclitung über die geheime Welt- und Regierungslcunst" (1790), „Zur Beförderung der Welt- und Menschenkunde" (1810) en „Über Materialismus und Idealismus" (1787).

Weismann, August, een Duitsch dierkundige, geboren te Frankfort aan den Main den 17d"-'n Januari 1834, studeerde te Göttingen in de geneeskunde, was van 1856—1857 assistent aan de kliniek te Rostock, ging in 1858 naar Weenen, in 1859 naar Italië en in 1860 naar Parijs, was van 1861—1862 lijfarts van aartshertog Stephan op het kasteel Schaumburg aan de Lahn en schreef aldaar: „Die Entwickelung der Dipteren" (1864). In 1863 vestigde hij zich als privaatdocent aan de universiteit te Freiburg en werd er in 1866 buitengewoon en in 1871 gewoon hoogleeraar in de dierkunde. Hij schreef inzonderheid over de descendentietheorie en de leer van de erfelijkheid. V&n zijn werken noemen wij: „ÜberdenEinflusz

der Isolierung auf die Artbildung" (1872), „Studiën zur Deszendenztheorie" (2 dln., 1875—1876), „Naturgeschichte der Daphnoïden" (1876—1879), „Die Entstehung der Sexualzellen bei den Hydromedusen" (1883), „Über die Vererbung" (1883), „Über Leben und Tod"(1884), „Die Kontinuitat des Keimplasmas als Gnmdlage einer Theorie der Vererbung" (1885), „Die Bedeutung der sexuellen Fortpflanzung für die Selektionstheorie" (1886), „Über die Zahl der Riclitungskörper und über ihre Bedeutung auf die Vererbung" (1887), „Amphimixis oder die Vermischung der Individuen"(1892), waarvan er een aantal vereenigd werden als „Aufsatze über Vererbung" (1892). Verder noemen wij nog: „Das Keimplasma" (1892), „Die Allmacht der Naturzüchtung" (1893), „Neue Gedanken zur Vererbungsfrage" (1895), „Auszere Einflüsse als Entwickelungsreize" (1894), „Über Germinalselektion" (1896) en „Vortrage über Deszendenztheorie" (2 dln., 1902).

Weissenbruch, Jan, een Hollandsch schilder van stadsgezichten, werd geboren te 's Gravenhage den 18den Maart 1822 en overleed aldaar den 16den Februari 1880. Hij was een leerling van Saloman Verveer. Zijn schilderijen zijn zeer zorgvuldig van uitvoering. Zeer geroemd worden ook zijn etsen. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Museum Mesdag te 's Gravenhage, in het Rijksmuseum en Li het Stedelijk Museum te Amsterdam.

Weissenbruch, Johannes Hendrik, een Hollandsch landschapschilder, een neef van den voorgaande, werd geboren te 's Gravenhage in 1825 en overleed aldaar den 14den Maart 1903. Hij genoot gedurende korten tijd het onderwijs van Schelfhout, ging echter spoedig op zich zelf werken. Ook bezocht hij het atelier van den toenmaligen decoratie-schilder Bart van Hove en teekende 's avonds op de Academie. Liefst werkte hij echter buiten direct naar de natuur. Weissenbruch behoort tot onze grootste 19d0 eeuwsche landschapschilders. Zijn landschappen zijn zeer mooi van kleur en kenmerken zich door de voortreffelijke wijze, waarop ze de Hollandsche atmosfeer weergeven. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o.a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, in het Museum Boymans te Rotterdam en in het Museum Mesdag te 's-Gravenhage.

Weissman, Adriaan Willem, in 1858 geboren te Amsterdam, ontving zijn opleiding in de bouwkunst van W. Springer en aan de Rijksakademie voor beeldende kunsten. In 1882 werd hij benoemd tot bouwkundige lste kl. der gemeente Amsterdam en in 1891 tot gemeente-architect, welke betrekking hij tot 1894 bekleedde. Hij schreef: „Het Amsterdamsche woonhuis van 1500 tot 1800" (1885), „Het Rijks-Museum te Amsterdam. Geschiedenis, in- en uitwendige versiering, bouwstijl" (1885), „Lübke, Geschiedenis der beeldende kunst, voor Nederland bewerkt" (1890), (met G. van ArJcel) „Noord-Hollandsche oudheden beschreven en afgebeeld" (1891 —1905), „Het gemeente-museum te Amsterdam" (1895), J. Blockhuis en A.Gervais „De kunstnijverheid. Voor Nederland bewerkt" (1896), „A. Springer, Geschiedenis der beeldende kunst. Voor Nederland bewerkt" (1896—1898, 4 dln.), „De beurs te Amsterdam, 1835—1903"(1904), „Documents classiques de 1'art dans les Pays-Bas du Xme au XIXme siècle" (1905—v.v.), „De gebakken steen" (1906),

Sluiten