Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

legd, om den Elzas te beveiligen tegen de strooptochten der keizerlijke bezetting van Landau. Zij strekten zich uit langs de Lauter en werden in 1793 door den Oostenrijkschen generaal Wurmser veroverd, maar kort daarna door Pichegru heroverd. Thans zijn zij opgeruimd.

Weiszenfels, een stad in het Pruisische distrikt Merseburg, aan de Saaie en aan 3 spoorwegen, bezit 2 Protestantsche kerken, een Roomsch-Katholieke kerk, een standbeeld van keizer Wilhelm 1, een Bismarckzuil, een hoogere burgerschool, een kweekschool van onderwijzers, een instituut voor doofstommen, een museum, een rechtbank enz. Er is veel nijverheid en vischvangst, terwijl men in den omtrek bruinkoolgroeven vindt. Het aantal inwoners bedraagt (1906) 30 894. Het groote kasteel, de Augustusburg, van 1664—1690 gesticht, wordt thans gebruikt als een school voor onderofficieren. Deze stad behoorde vroeger aan de landgraven van Thuringen, werd door Otto den Rijke tot een graafschap verheven en was van 1657 af de residentie van de hertogen van Saksen-Weiszenfels. In 1814 kwam zij aan Pruisen.

Weiszensee, het vierde van de groote Karinthische meren, ligt op een hoogte van 926 m. boven den zeespiegel tusschen de dalen van Drau en Gail bij Sachsenburg. Het is 11 km. lang, 1 km. breed en beslaat een oppervlakte van 640 H. A. Zijn gemiddelde diepte bedraagt 33, zijn grootste 97 m. Bij Techendorf, een geliefkoosde zomerverblijfplaats, waar het slechts 170 m. breed is, voert een brug er over. De afwatering heeft in het O. door den Weiszenbach naar de Drau plaats. Rijwegen voeren van het meer naar Greifenburg en Hermagor.

Weiszhorn is de naam van verschillende Alpentoppen. Wij noemen vooreerst den 4612 m. hoogen Weiszhorn in de Penninische Alpen, het hoogste punt van de bergketen, welke ten N. van den Matterhorn is gelegen; verder den 3012 m. hoogen Weiszhorn in de Wildhorngroep van de Freiburger Alpen; den 3089 m. hoogen Weiszhorn in de Silvrettagroep van de Raetische Alpen, ten N. van den Flüelapas; den 2828 m. hoogen Weiszhorn in de Plessura Alpen, die van uit Arosa in 2'/2 uur wordt bestegen, en den 2707 m. hoogen Weiszhorn in de Penser-Alpen, ten Z. van Sterzing.

Weit. Zie Tarwe.

Weitbrecht, Karl, een Duitsch schrijver, geboren den 8sten December 1847 te Neuhengstett bij Kalw, studeerde te Tubingen, werd in 1886 rector van de middelbare meisjesschool en van het seminarium voor onderwijzeressen te Zürich en in 1894 hoogleeraar in de Duitsche letterkunde aan de Technische Hoogeschool te Stuttgart. Van zijn hand verschenen: „Lieder von Einem, der nicht mitdarf" (1870), „Was der Mond bescheint. Gedichte zu Bildern von Hugo Rnorr" (1873), „Gedichte" (3de druk, 1880) en „Gesammelte Gedichte" (1903). Met zijn broeder Richard publiceerde hij „Gschichtarn aus-m Schwöbaland" (2de druk, 1883) en „Rohm81 Schwöbagschichta" (1882). Daarop volgden „Verrirrte Leute" (1882), een bundel novellen, „Geschichtenbuch" (1884), „Schwabisches Dichterbuch" (met E. Paulus, 1884), „Der Kalenderstreit in Sindringen" (1886) en „Heimkehr" (1886), een bundel novellen. Van 1876—1886 was hij redacteur van het „Neue deutsche Familien-

blatt", waarin hij een aantal artikelen schreef, in boekvorm verschenen als „Was ist's mit der Soeialdemokratie?" (7de druk, 1888). Verder schreef hij: „Sonnenwende" (1890), „Phalana, die Leiden eines Buches" (2ae dmk, 1896), benevens de treurspelen: „Sigrun" (1895) en „Schwarmgeister" (1900) en het blijsppl „Doktor Schmidt" (1896). Van zijn literatuurhistorisch-aesthetische werken noemen wij: „Diesseits von Weimar. Auch ein Buch über Goethe" (1896), „Schiller in seinen Dramen" (1897), „Das deutsche Drama" (1900), „Schiller und die deutsche Gegenwart" (1901), „Deutsche Litteraturgeschichte des 19. Jahrhunderts" (2 dln., 1901) en „Deutsche Litteraturgeschichte der Klassikerzeit" (1902). Hij overleed den ]0den Juni 1904 te Stuttgart.

Weitbrecht, Richard, een Duitsch schrijver, een broeder van den voorgaande, geboren den 20sten Febmari 1861 te Heumaden, is thans predikant te Wimpfen a. d. Neckar. Hij schreef o. a.: „Geschichte der deutschen Dichtung für Frauen" (1880), „Feindliche Machte" (1882), vertellingen, „Der Bauempfeifer" (1887), ,,'s Schwöbaland in Lied und Wort" (met Seuffer 1886), „Aus schwabischen Gauen"(met P.Lang, 1887), „Allerhand Leut" (1888), „Ketzergerichte" (1891), ,,D' Pfarrmagd" (1892), „No'gstat" (1893) en „Der Leutfresser und sein Bub" (1905). Bovendien leverde hij een bewerking van FischarVs „Ehezuchtbüchlein" (1881), een navolging van het Gudrunlied (1884) en publiceerde hij de bloemlezing „Religiöse Lyrik" (1896).

Weitzel, August Wilhelm Philip, een Nederlandsch officier en staatsman,geboren te's Gravenhage den 611611 Januari 1816, trad in 1831 in dienst, werd in 1837 tweede-luitenant en diende tot 1853 in Nederland. In laatstgenoemd jaar vergezelde hij als kapitein-adjudant den luitenant-generaal De Stuers naar Indië, waar hij 5 jaar gedetacheerd bleef en o. a. deel nam aan de expeditie naar de Lampongs onder kolonel Waleson. Hij doorliep verschillende rangen in het leger en werd in 1872 bevorderd tot generaal-majoor. Van 1873—1875 en van 1883—1888 was hij minister van Oorlog, van November 1883—Februari 1884 werd hij ad interim belast met de portefeuille van Koloniën. Hij overleed den 29sten Maart 1896 te 's Gravenhage. Hij schreef onderscheiden artikelen in den „Militaire Spectator" en was van 1847—1853 hoofdredacteur van dit tijdschrift. Ook schreef hij in het „Album der Natuur" en leverde: „De Oorlog op Java van 1825—1830, hoofdzakelijk bewerkt naar de nagelaten papieren van den lt.-generaal Merkus de Koek" (2 dln., 1852—1864), „Handleiding bij het schieten met draagbare wapenen" (1854), „De derde militaire expeditie naar het eiland BaJi in 1849" (1859), „Batavia in 1858. Schetsen en beelden uit de hoofdstad van Nederlandsch Indië" (1860), „Schetsen uit het oorlogsleven in Nederlandsch Indië; de Lampongs in 1856" (1862), „De geschiedenis van het onderwijs in het schieten bij de Nederlandsche infanterie" (1864) en „De organisatie bij de wet onzer strijdkrachten te land" (1871).

Weivliezen (Membranae Serosae of Sereuze vliezen) zijn bij de gewervelde dieren dubbele zakken, die de inwendige deelen van de borst- en de buikholte omsluiten, zooals het borstvlies, het buikvlies, de hartzak enz. De buitenste, wijdste zak is steeds aan de binnenzijde van de lichaamsholte be-

Sluiten