Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vestigd, terwijl het kleinste, binnenste vlies de buitenvlakte van de organen bedekt. In de ruimte tusschen de beide vliezen bevindt zich een kleine hoeveelheid helder vocht, dat door de vliezen zelf wordt afgescheiden en tot vermindering van de wrijving dient.

Weizsacker, Karl von, een Duitsch godgeleerde, geboren den 1 lden December 1822 te Oehringen, studeerde te Tubingen, waar hij zich in 1847 als privaatdocent vestigde, werd in 1851 hofkapelaan te Stuttgart, vervolgens „Oberkonsistorialrat", in 1861 gewoon hoogleeraar te Tubingen, in 1890 kanselier en in 1894 staatsraad. Hij overleed den 13den Augustus 1899 te Tubingen. Hij behoorde tot de voornaamste vertegenwoordigers der zoogenaamde „Vermittelungstheologie" en schreef: „Zur Kritik des Barabasbriefs" (1863), „Untersuchungen über die evangelische Geschichte" (1864), „Lehrer und Unterricht an der evangelisch-theologischen Fakultat Tubingen" (1877) en „Das apostolische Zeitalter der christlichen Kirche" (1886.) Hij was redacteur van de „Jahrbücher für deutsche Theologie" (1856—1878). Ook schreef hij een vertaling van het Nieuwe Testament (9de druk, 1906).

Weizsacker, Julius, een Duitsch geschiedkundige, een broeder van den voorgaande, geboren te Oehringen den 13dcI1 Februari 1828, studeerde in de theologie en werd vicaris, wijdde zich echter sedert 1851 aan de geschiedenis, vertrok naar Parijs en vestigde zich te Tubingen als privaatdocent. In 1860 vertrok hij naar München, om aldaar onder leiding van Sybel de „Deutsche Reichsakten" uit te geven en werd vervolgens hoogleeraar te Erlangen, Tubingen, Straatsburg, Göttingen en Berlijn. Hij schreef: „Der Kampf gegen den Chorepiskopat des Frankisch en Reichs im 9. Jahrh." (1859) en „Der Rheinische Bund 1254" (1879). Hij overleed te Kissingen den 3den September 1889.

Wekerle, Alexander, een Hongaarsch staatsman, geboren den 14den November 1848 te Mösr in het comitaat Stuhlweiszenburg, studeerde in de rechten, werd in 1870 ambtenaar bij het ministerie van Financiën en vestigde zich als privaatdocent in het administratief recht aan de hoogeschool te Boedapest. In 1886 werd hij staatssecretaris van Financiën en lid van het Huis van Afgevaardigden en in 1889 minister van Financiën in het KabinetTisza. Hij slaagde er in de Hongaarsche staatshuishouding te regelen door de conversie van de staatsleeningen. In het bizonder noemen wij nog de hervorming van den jeneveraccijns, het betere beheer der staatsmonopoliën en, in vereeniging met Oostenrijk, de regeling der valuta. Nadat Szapary was afgetreden, werd Wekerle den 14den November 1892 minister-president. Hij voerde o. a. de wet op de vrije uitoefening van den godsdienst en het verplichte burgerlijk huwelijk in. Daar hij echter het vertrouwen van de Kroon niet meer bezat, diende het „groote ministerie" den 228ten December 1894 collectief zijn ontslag in. Den lslen Januari 1897 benoemd tot president van het nieuwe, administratieve gerechtshof te Boedapest, trok hij zich geheel uit de staatkunde terug, waardoor het mogelijk werd om hem, nadat de Kroon met de vereenigde oppositie tot overeenstemming was gekomen, opnieuw tot minister-president te benoemen. Als zoodanig den 8sten April 1906 benoemd, belastte hij zich met de portefeuille van Financiën, moest ech¬

ter wegens de houding der oppositie spoedig weer aftreden.

Welcker, Friedrich Oottliei, een Duitsch oudheidkundige, geboren te Grimberg in Hessen den 4den November 1784, studeerde te Gieszen en werd in 1803 leeraar aan een opvoedingsgesticht aldaar, vertoefde van 1806 tot 1808 te Rome, waar hij vriendschappelijke betrekkingen aanknoopte met Wilhelm von Eumboldt, werd in 1809 hoogleeraar in de oudheidkunde en in de Grieksche letterkunde te Gieszen en nam in 1814 als vrijwilliger deel aan den oorlog. Hij vertoefde het volgend jaar te Kopenhagen om daar de nalatenschap van Zoëga te bewerken, legde in 1816 om staatkundige redenen zijn hoogleeraarsambt te Gieszen neer, werd echter nog in hetzelfde jaar hoogleeraar te Göttingen en in 1819 te Bonn. Ook hier geraakte hij in staatkundige verwikkelingen en werd in staat van beschuldiging gesteld, doch in 1825 vrijgesproken; in 1832 werd hij wegens het uitgeven van twee staatkundige verhandelingen voor korten tijd geschorst. Van 1841— 1843 deed hij een reis naar Italië, Griekenland en Klein-Azië en vertoefde van 1845—1846 en 1852— 1853 weder te Rome. In 1861 verliet hij wegens een oogziekte den academischen leerstoel en overleed den 17del1 December 1868. Talrijke oudheidkundige verhandelingen van dezen geleerde vindt men in de „Basreliëfs Roms" (2 dln., 1811—1812) van Zoëga, in het „Zeitschrift für Geschichte und Auslegung der alten Kunst" (3 stukken, 1817—1818), in de „Abhandlungen" van Zoëga, in „Zoëgas Leben" (2 dln., 1819) en in de „Alte Denkmaler" (5 dln., 1849—1864). Van zijn vertalingen vermelden wij: „De wolken" en „De kikvorschen" van Aristophanes (2 dln., 1810—1812), verder leverde hij uitgaven van een groot aantal klassieke werken. Buitendien bezorgde hij de verzameling van de „Kleine Schriften" van Dissen (met Thiersch en Mülkr, 1839), de „Opuscula" van Nake (2 dln., 1842— 1845) en den 3den druk van Müllers „Handbuch der Archaeologie" (1848). Van 1833—1838 regeerde hij met Nake, sedert 1842 met Rilschl het „Rheinische Museum für Philologie." Zijn „Kleine Schriften zur griechischen Literaturgeschichte" werden van 1844—1867 in 5 dln. verzameld, zijn „Griechische Götterlehre" verscheen van 1857—1862 in 3 dln.. Hij was de stichter van de bibliotheek en van het academisch museum voor kunst te Bonn.

Welcker, Karl Theodor, een Duitsch rechtsgeleerde, een broeder van den voorgaande, geboren den 298ten Maart 1790 te Oberofleiden in het groothertogdom Hessen, studeerde te Gieszen en te Heidelberg en schreef reeds als student: „Die letzten Gründe von Recht, Staat und Strafe" (1813). Hij vestigde zich in 1813 te Gieszen als privaatdocent, werd er in 1814 benoemd tot buitengewoon hoogleeraar en vertrok vervolgens als hoogleeraar naar Kiel, waar hij met Dalhmann o. a. de „Kieler Blatter" redigeerde. Vandaar ging hij als professor naar Heidelberg en in 1819 naar Bonn, waar hij zich tegen een beschuldiging van het veroorzaken van demagogische woelingen moest verdedigen („Aktenmaszige Verteidigung", 1823—1824). In 1823 werd hij hoogleeraar te Freiburg, waar hij het werk opstelde: „Das innere und auszere System der praktischen, natürlichen und römisch-christlichgermanischen Rechts-, Staats- und Gesetzgebunglehre" (1829). In 1830 diende hij bij den Duitschen

Sluiten