Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Révolution" (1881), „La censure sous le premier Empire" (1882), „Le duc d'Enghien 1772—1804" (1888), „Le divorce de Napoléon" (1889), „Le roman de Dumouriez" (1890), „Le maréchal Ney 1815" (1893), „Aventures de guerre et d'amour du baron de Cormatin" (1896), „Le roi de Rome 1811— 1832" (1897), „M. de Bismark" (1900) en „Le Pape etj 1' Empereur, 1804—1815" (1905).

Welser is de geslachtsnaam van een patricische familie in Augsburg, die volgens oorkonden minstens sedert de 13de eeuw aldaar was gevestigd. Zij verwierf door haar groothandel zulk een aanzienlijk vermogen, dat Bartholomaeus Welser, geheimraad van keizer Karei V, aan laatstgenoemde in vereeniging met Fugger 12 ton gouds kon voorschieten. Onder goedkeuring van den keizer rustte hij in 1628 in Spanje drie schepen uit, die onder bevel van Ambros Dalfinger de provincie Caracas in bezit namen. De keizer verleende haar aan Welser als onderpand, doch de familie deed na 20 jaar afstand van haar bezit. Een nicht van Bartholomaeus, Phüippine Welser genaamd, de dochter van Frans Welser, geboren in 1527, die in beschaving en schoonheid uitmuntte, trad in 1557 in het geheim in het huwelijk met aartshertog Ferdinand, den tweeden zoon van den lateren keizer Ferdinand I, die daarop zijn zoon uit zijn tegenwoordigheid verbande. Li 1561 kwam er een verzoening tot stand, nadat de zoon beloofd had het huwelijk geheim te houden en voor zich en zijn kinderen van zijn erfrechten afstand te doen. Aartshertog Ferdinand verhief Frans Welser en zijn nakomelingen in den vrijheerenstand met het praedicaat Von Zinnenburg. Phüippine woonde met haar gemaal bij afwisseling op het kasteel Ambras en te Innsbruck. Zij overleed den 24sten April 1580. Haar oudste zoon Andreas overleed in 1600 als kardinaal, haar tweede zoon Karl, die zich in den oorlog tegen de Hongaren en Spanjaarden onderscheidde en markgraaf von Burgau werd, stierf kinderloos in 1618. Marcus Welser, geboren in 1658, studeerde te Rome, werd in 1692 raadsheer en in 1700 keizerlijk raadslid te Augsburg en behaalde in zijn tijd als polyhistor grooten roem. Hij bezorgde o. a. een uitgave der „Tabula Peutingeriana". Later vestigden zich leden der familie Welser te Ulm, Regensburg en Neurenberg. De te Ulm gevestigde stam, sedert 1713 in den rijksvrijheerenstand opgenomen, is de eenige thans nog bestaande tak. Tot dezen tak, die Protestantsch is, behoort vrijheer Ludmg von Welser, regeeringspresident te Ansbach. De mannelijke stam van de Neurenberger tak stierf in 1878 uit, de hoofdstam te Augsburg stierf reeds in 1797 uit.

Welsprekendheid is de kunst zóó te spreken, dat de hoorders onder den indruk van het gesprokene geraken. De leer van de welsprekendheid heet rhetorica. Zij vormt als de leer van de mondelinge voordracht een tegenstelling met de stilistiek in haar engere beteekenis, als de kunstleer van het geschreven woord. Het begrip stilistiek heeft zich echter uitgebreid, zoodat zij thans ook de mondelinge voordracht omvat. De rhetorica houdt zich bezig met den opbouw en den samenhang der gedachten, de woordkeus, den zinsbouw, de apperceptievormen, de redekunstige figuren enz. Bij de Grieken en Romeinen omvatte de leer van de welsprekendheid 5 deelen n.L inventio (het zoeken van de gedachten), dispositie (rangschikking), elo-

cutio (uitdrukking), memoria (memoriseering) en actio (voordracht). De naam rhetorica werd ook wel gebruikt voor de schriftelijke uitdrukking van gedachten in proza. In de Middeleeuwen behoorde zij tot een van de vrije kunsten. Dikwijls worden de namen rhetorica en rhetorisch ook wel ter aanduiding van de uiterlijke versiering van de taal gebruikt. De grondlegger van de leer der welsprekendheid was Aristoteles, later werd zij inzonderheid door Cicero, Quintilianus en de Grieksche en Romeinsche rhetoren (zie aldaar) ontwikkeld. Gedurende langen tijd was de „Initia rhetorica" van Erhesti (1750) het meest verbreide leerboek voor de rhetorica.

Weltevreden. Zie Batavia.

Welti, Emil, een Zwitsersch staatsman, geboren den 238ten April 1825 te Zurzach in het kanton Aargau, studeerde iu de rechten te Berlijn en te Jena, vestigde zich in 1847 als advocaat in zijn geboorteplaats en werd aldaar in 1852 president van het kantongerecht. In 1866 gekozen in den Regeeringsraad van Aargau, stond hij eerst aan het hoofd van het departement van Financiën, daarna aan dat van Onderwijs. Van 1857—1866 vertegenwoordigde hij Aargau in den Stendenraad, waarvan hij in 1860 en 1866 voorzitter was. In 1866 werd hij in den Bondsraad en in 1869, 1872, 1876, 1880, 1884 en 1891 tot bondspresident gekozen. Als lid van den Bondsraad stond hij, afgezien van de jaren waarin hij als president Buitenlandsche Zaken beheerde, eerst aan het hoofd van Oorlog. Hij bracht de nieuwe legerorganisatie van 1874 tot stand. Later overgegaan naar Posterijen en Spoorwegen, had hij een belangrijk aandeel in het tot stand komen van den St. Gotthardspoorweg. Toen het referendum den 6den December 1891 den aankoop van den Centraalspoorweg verwierp, nam Welti, die een voorstander van staatsexploitatie was, ontslag. Hij overleed den 24sten Februari 1899 te Bern.

Welvaartcommissie (Comité du salut public) was in de Fransche Revolutie de naam van het regeeringscollege der Nationale Conventie. Den 258ten Maart 1793 op aandringen van de Bergpartij ingesteld, bestond zij aanvankelijk uit 25, sedert den 5dcn April echter slechts uit 9 leden, die voor een maand zitting hadden. Zij vormde de eigenlijke regeering en oefende onder Robespierre een waar schrikbewind uit. Na diens val verloor zij echter haar macht. De meeste leden verloren hun hoofd onder de guillotine.

Welwater is het grondwater, dat men bereiken kan, wanneer men tot op eenige diepte een opening of put in den bodem graaft. Wanneer men het verwijdert, wordt het spoedig weer aangevuld door het opwellen van nieuw water. Gewoonlijk is dit water zeer geschikt als drinkwater. Om dat te verkrijgen, metselt men steenen putten in den bodem, die tot beneden den waterstand in den grond reiken en haalt daaruit het water door emmers of pompen op.

Welwitsch, Friedrich, een Oostenrijksch reiziger in Afrika, geboren in 1806 te Klagenfurt in Karinthië, studeerde in de genees- en plantkunde, begaf zich naar Portugal, werd directeur van den botanischen tuin te Lissabon en vertrok in 1853 op kosten der regeering van Portugal naar Angola en Benguela, waar hij belangrijke verzamelingen bijeenbracht. Hij schreef o. a.: „Synopse explicativa das amostras de Madeiras e drogas medicinaes de

Sluiten