Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n

collegidas na provincia de Angola"(1862) en onderscheiden opstellen in tijdschriften. Hij overleed te Londen den 20sten October 1872.

Welwitschia mirabilis (Tumboa Bainesü) is een door Welwitseh in 1860 te Loando in Afrika ontdekte en naar hem genoemde plant uit de familie der Gnetaceeën. Zij bezit een dikken, kegelof tolvormigen, aan twee zijden samengedrukten, dwars gegroefden stengel van week hout, die zich slechts weinig boven den grond verheft, daarboven

Welwitschia mirabilis.

a. plant (verkleind), b. meeldraden (8 x vergr.), c. bloem (nat. grootte).

een hoogte verkrijgt van 60 cm. en een omvang van 150 cm. Uit den stam ontwikkelen zich boven den grond één paar ongeveer 2 m. lange bladeren, die plat op den grond liggen, aldaar blijven groeien en zich later in strooken of riemen verdeelen. De bloemen zijn tweehuizig en staan in katjes aan den rand van den stam, de manneüjke bevatten 6 meeldraden, de vrouwelijke een door schutbladen omgeven zaadknop. De vruchten zijn rood van kleur en gelijken op de kegels van vele naaldboomen. Men meent, dat zij een eeuw oud kan worden. {öWely, Anton van, een Hollandsch portretschilder, werd geboren te Afferden (Gelderland) den 18den Dec. 1866 en is thans te 's Gravenhage woonachtig. Van 1886—1891 werkte hij op de Antwerpsche Academie onder Verlat. In dien tijd bezocht hij tevens Italië. Vervolgens werkte hij zelfstandig in Parijs en Rome en maakte een reis naar het Oosten. Hij heeft in den laatsten tijd veel succes als portrettist.

Wemeldinge, een gemeente in de provincie Zeeland op het eiland Zuid-Beveland, 864 H. A. groot met (1910) 2 147 inwoners, wordt naar de zeezijde door de Oosterschelde en naar de landzijde door de gemeenten Kattendijke, Kapelle en Ierseke begrensd. De bodem bestaat uit klei, met zand vermengd. De voornaamste bezigheden zijn landbouw, ooftbouw, oesterteelt en scheepvaart. Tot de gemeente behooren het dorp Wemeldinge, benevens een aantal gehuchten. Vroeger was Wemel¬

dinge een afzonderlijk eiland, dat in de 13de eeuw door aanslibbing met Zuid-Beveland werd vereenigd.

Het dorp Wemeldinge ligt aan het uiteinde van het Kanaal door Zuid-Beveland. De Hervormde kerk ligt tusschen 2 vliedbergen. Vroeger vond men er een adellijk nonnenklooster en een convent van de Tempelieren, later aan de ridders van St. Jan behoorende.

Wenceslaus I, een zoon van Premysl Ottokarl, koning van Bohemen, geboren in 1205, werd in 1216 in strijd met het in Bo¬

hemen geldend senioraatsrecht als troonsopvolger erkend en door keizerFrederik als zoodanig bevestigd. In 1224 huwde hij Kunegonde, een dochter van Philips vanHohenstaufen. Na den dood van zijn vader (1230) aanvaardde hij de regeering en zette den oorlog tegen Oostenrijk, die onder zijn vader reeds was begonnen, bijna tot den dood van den laatsten Babenberger (1246) voort. Ook met zijn zoon Premysl Ottokar en den Boheemschen adel geraakte hij in strijd. In 1250 verzoenden vader en zoon zich om in het bezit van het Babenbergsch erfgoed te komen. Premusl Ottokar

verwierf de hand van Margaretha, de zuster van den laatsten Babenberger en kwam daardoor in het bezit van Opper- en Neder-Oostenrijk. Over het bezit van Stiermarken ontstond er een oorlog met Hongarije, waaraan de dood van Wenceslaus (22 September 1263) en de verheffing van Premysl Ottokar tot koning van Bohemen een einde maakte. Onder de regeering van Wenceslaus in 1241 had er een inval van de Mongolen plaats. Wenceslaus bevorderde de Duitsche beschaving. Reinmar von Zweter vertoefde langen tijd aan zijn hof. Het minnelied „Us hoher aventure" wordt aan Wenceslaus toegeschreven.

Wenceslaus II, geboren in 1271, een zoon van Premysl Ottokar II, volgde, nadat deze op het Marchfeld gesneuveld was (1278), hem op in de heerschappij van Bohemen en Moravië onder voogdij van markgraaf Otto van Brandenburg, die Wenceslaus eenigszins in bewaring hield en het land uitzoog. Wenceslaus trad in 1278 in het huwelijk met Guta, een dochter van Rudolf van Habsburg, en aanvaardde in 1283 het bewind, zonder echter een einde te kunnen maken aan de woeling der adellijke partijen. Hij verwierf Eger, Meiszen en de opperleenheerschappij over de SUezische hertogdommen, ontving in 1290 de keur vorstelijke waardigheid, werd in 1291 koning van Klein-Polen, in 1300 heerscher van Groot-Polen, bewerkte de verheffing van zijn zoon tot koning van Hongarije en overleed den 2iBten Juni 1305. Hij was de stichter van het beroemde Cistersienserklooster Königssaal, bevor-

li

Sluiten