Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vacuolen", bezocht daarna buifcenlandsclie laboratoria, werkte te Bonn onder leiding van vonStrassburger, en te Parijs onder Van Tieghem. Daarna bezocht hij het zoölogisch station te Napels, waar hij zich vooral bezig hield met de studie van zeewieren. Van 1887 tot 1891 was hij achtereenvolgens leeraar te Dordrecht en te 's Gravenhage. In 1890 ging hij voor rekening van het Buitenzorgfonds naar Indië, van welke studiereis een publicatie over hecht- en voedingswortels bij klimplanten en epiphyten het resultaat was. Van 1891 tot 1896 was hij directeur van het proefstation voor suikerriet in West-Java te Kagok-Tegal. In dien tijd verschenen van hem zeer talrijke en hoogst belangrijke publicaties, ten deele op het gebied van de suikerriet-cultuur en de ziekten van de rietsuikerplant, ten deele op het gebied der microbiologie. De periode werd besloten met het in 1898, tezamen met Wakker, gepubliceerde werk over „De ziekten van het suikerriet op Java." In 1896 werd hij hoogleeraar te Utrecht en bewoog^zich in den beginne uitsluitend op het terrein der microbiologie. In 1901 deed hij ten deele als gevolg van een regeeringsopdracht, ten deele met steun van de Maatschappij ter bevordering van het natuurkundig onderzoek der Nederl. koloniën een reis naar Suriname en de Nederlandsche Antillen. Hier bestudeerde hij de ziekteverschijnselen der cacaoplant en publiceerde daarover eenige belangrijke verhandelingen. Mede als gevolg van die reis, werd in 1904 een inspecteur van den laijdbouw in Suriname aangesteld en werd er een departement van landbouw opgericht. Na 1904 begon een periode van werkzaamheid op hetgebied der cybologie en morphologie. In de jaren 1908 tot 1911 blijkt zijn invloed als hoogleeraar vooral uit de publicaties zijner leerlingen, die zich alle bewegen op het gebied der prikkel-physiologie. Ten slotte moet genoemd worden zijn invloed op het onderwijs in de planten-systematiek. Door zijn toedoen heeft de studie der flora van Suriname en Nederlandsch West-Indië thans geheel in Utrecht plaats en wordt daar door een lector onderwijs in de planten-systematiek gegeven.

Wenteltrapje (Scalaria) noemt men een slakje, dat aan onze kusten voorkomt en waarvan de porseleinachtige schelp 10 tot 12 omgangen heeft, die scherp van elkandergescheiden zijn en allengsin grootte toenemen, zoodat de hoorn op een wenteltrap gelijkt. Over de omgangen loopen 9—12 dwarseribben, die een weinig schuins achterovergebogen zijn. De kleur is grijs of blauwachtig wit, soms met eenige bruine of roodbruine strepen. De kop van het dier is tot een korten afgeronden snuit verlengd, waaruit het een lange slurf kan te voorschijn brengen. Zijn voelers zijn lang en draadvormig en aan de basis voorzien van kleine oogen. De voornaamste soorten zijn S. communis en S. pretiosa.

Wentworth. Zie Strafford.

Wenzel of Wenceslaus de Heilige, door zijn grootmoeder, de heilige' Ludmilla, opgevoed, verklaarde na het beklimmen van den troon van Bohemen den Christelijken godsdienst voor den heerschenden op zijn gebied en werd dientengevolge op aansporing van zijn broeder Boleslaus en van vele aanzienlijken dén 21stfm September 935 gedood. Hij is de beschermheilige van Bohemen. Naar hem is de Wenzelkroon, het zinnebeeld van het koninkrijk Bohemen, waarmee de koningen van

Bohemen vroeger werden gekroond, genoemd. De Wenzelkroon werd in 1347 op initiatief van Blanca van Valois, de gemalin van Karei IV, uit het materiaal van de oude hertogskroon van de Premysliden vervaardigd. Zij bevindt zich in den kroonschat van Sint Vitus te Praag.

Werchojansk, Gebergte van, een gebergte in de Russisch-Siberische provincie Jakoetsk, is een uitlooper van het Stanowoïgebergte en ontleent zijn naam aan de rivier de Jana (zie aldaar). Het gebergte, dat een hoogte bereikt van 1420 m., verheft zich nergens boven de sneeuwlijn, maar in sommige van zijn dalen bevinden zich ijslagen, aldaar taryn geheeten, die nooit smelten. Ook vormt het een belangrijke grenslijn voor den plantengroei, daar aan zijn noordzijde sommige boomen, zooals pijnboomen, denneboomen en esschen, niet meer voorkomen. Van de stad Jakoetsk loopt een weg over het gebergte, die zeer steil en op sommige plaatsen zeer smal is, maar aan de andere zijde met een flauwe helling naar de stadWerchojansk afdaalt.

Werchojansk, een distrikt van de Russisch-Siberische provincie Jakoetsk, begrensd door de N.-lijke IJszee, het Werchojanskgebergte, het Stanowoïgebergte en de Lena, telt op een oppervlakte van 1 077 824 v. km. 12 182 inwoners, bestaande uit Jakoeten, Lamoeten en Russen. Zij houden zich bezig met vischvangst en jacht, beoefenen in het Z. een weinig veeteelt en voeren huiden en mammouthtanden uit.

De gelijknamige hoofdstad, door de Jakoeten Boronoek of Boroenoek genoemd, ligt aan de Jana en aan den weg van Jakoetsk naar Oestjansk. Zij bezit een kerk, 2 scholen en een ziekenhuis en telt 353 inwoners. Verbanningsoord voor staatkundige misdadigers, gaat zij door voor een der koudste plaatsen op aarde. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt -17,°2 C. (Januari-51,°2 C., Juli+16° C.)4 In Januari 1886 werden er temperaturen van — 69,°7 C. waargenomen.

Werdau, een fabrieksstad in het Saksische arrondissement Zwickau, ligt aan de Pleisze, is het vereenigingspunt van drie spoorwegen en telt (1905) 19 473 inwoners. Men vindt er een Protestantsche kerk, een hoogere burgerschool, een hoogere weefschool, een rechtbank enz. Er zijn een aantal katoen- en wolspinnerijen en weverijen, laken- en machinefabrieken, motorfabrieken, een fabriek voor electrische toestellen, tichelwerken enz.

Werden, een plaats in het Pruisische distrikt Düsseldorf, gelegen aan de Roer en aan den spoorweg Düsseldorf—Essen, bezit een Protestantsche en een R. Katholieke kerk, een synagoge, een progymnasium en een tuchthuis en is de zetel van een kantongerecht en van een filiaal der Rijksbank. Het telt (1905) 11029 inwoners, die werkzaam zijn in wolspinnerijen en weverijen (2 000 arbeiders), ververijen, vilt-, schoenen- en glasfabrieken en bierbrouwerijen. In de nabijheid bevinden zich verschillende steenkoolmijnen en 2 steengroeven. Tegenover de stad ligt, op den rechter Roeroever, de Platte met het slot der familie Ilrupp, en is dicht bij de stad de Pastoratsberg met den Keizer Frederiktoren. Werden ontstond naast het Benedictijnerklooster, door Liudger omstreeks 800 gesticht. In de 16de eeuw vond men er den Codex argenteus met de Gotische Bijbelvertaling. Het klooster werd in 1802 opgeheven. ^

Sluiten