Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werder, Karl, een Duitsch wijsgeer en dichter, geboren den 134611 December 1806 te Berlijn, studeerde aldaar onder leiding van Hegel in de philosofie, vestigde zich in 1834 als privaatdocent en werd in 1838 buitengewoon hoogleeraar aldaar. Van zijn geschriften noemen wij: „De Platonis Parmenide" (1834), „Logik" (1841), de treurspelen: „Kolumbus" (1858) en „Politik und Liebe" en zijn redevoeringen over „Hamlet" (1875), „Macbeth", (1885), „Wallenstein", (1889) en „Nathan der Weise" (1892). Werder overleed te Berlijn den 3den April 1893. Na zijn dood verscheen een bundel gedichten (1895).

Werder, August von, een Pruisisch generaal, geboren den 12aen September 1808 te Schloszberg in het ambt Norkitten in Oost-Pruisen, trad in 1825 in dienst, werd in 1826 tweede luitenant, in 1839 leeraar aan de militaire school, zag zich vervolgens geplaatst bij het topografisch bureau en nam als eerste luitenant vrijwillig deel aan den veldtocht der Russen in den Kaukasus van 1842—1843. Na zijn terugkeer kwam hij als kapitein bij den generalen staf, klom spoedig op, werd in 1863 generaalmajoor, in 1866 luitenant-generaal en voerde in 1866 bevel over de 3ae divisie bij Gitschin en Königgratz. In 1870 ontving hij het opperbevel over de belegeringstroepen voor Straatsburg en na de capitulatie van deze stad de benoeming tot generaal der infanterie en het commando over het 14de legercorps, waarmede hij in October doordrong in Franche Comté, Dijon bezette, de Garibaldianen in bedwang liield, bij het vernemen der komst van Bourbata in Januari 1871 naar Belfort terugtrok, door het gevecht van Villersexel den weg opende tot een aftocht zonder verlies en den aanval van het overmachtige Fransche oost-leger in den driedaagse}] en slag bij Belfort afsloeg. Na het sluiten van den vrede verkreeg hij het Grootkruis van het IJzeren Kruis en een dotatie. Tot 1879 voerde hij bevel over het 144e legercorps, en werd in dat jaar, toen hij zijn ontslag nam, in den erfelijken gravenstand opgenomen. Hij overleed den 12den September 1887 op het slot Grüssow bij Belgard. Te Freiburg en Breisgau werd nog bij zijn leven een standbeeld voor hem opgericht.

Wereld is volgens het algemeen taalgebruik de aarde en haar bewoners, zoodat men spreekt van werelddeelen, wereldgeschiedenis enz. In ruimeren en vooral in wijsgeerigen zin is de wereld echter het geheel van alles wat bestaat, en als zoodanig het onderwerp van de kosmologie (zie aldaar), of ook het wereldgebouw (universum, kosmos), het geheel van alle wereldlichamen en dus alle vaste sterren, planeten, bijplaneten en kometen, die gezamenlijk het Wereldstelsel vormen. Met dezen laatsten naam bestempelt men ook de verschillende meeningen over het onderling verband der hemellichamen; inzonderheid over dat der lichamen van ons zonnestelsel.

Het meerendeel van de wijsgeeren der klassieke Oudheid beschouwde den kosmos als een bezield wezen. Voor de Ionische, Eleatische, Peripatetische, en Stoïsche school was de kosmos de hoogste godheid zelve. Voor de volgelingen van Plato was de wereld daarentegen het evenbeeld van den God, een wonder van schoonheid en harmonie. Anaximander en de Epikureeërs namen een veelheid werelden aan. Met het geloof, dat de kosmos een bezield we¬

zen is, stond de voorstelling in verband, dat de deelen en leden van bewerktuigde schepselen in de deelen en leden van den kosmos teruggevonden worden, een voorstelling die in lateren tijd door Paracelsus en anderen op zoodanige wijze vernieuwd werd, dat men de wereld beschouwde als een menschelijk organisme in 't groot (inakrolcosmos) en den mensch als een wereld in 't klein (mikrokosmos); hiermede stond de meening omtrent den invloed van de bewegingen der sterren op de lotgevallen van den mensch in liet nauwste verband.

Om de bewegingen van de hemellichamen wiskundig te verklaren, nam Eudoxos aan, dat de zon, de maan, de planeten en de vaste sterren bevestigd waren aan holle bollen, die een eigen beweging hadden. Uit deze theorie, die der homocentrische sferen, ontwikkelde zich in de Oudheid de meening, dat de aarde met concentrische kristallen bolvormige omhulsels omgeven was, die de sterren dragen en de bewegingen veroorzaken. In den loop der tijden vermeerderde dit aantal sferen, totdat Fracastoro in de 16'le eeuw er 77 aannam. Tycho Brahe toonde door zijn onderzoekingen de onmogelijkheid van massieve sferen aan. In het volksgeloof bleef deze voorstelling echter lang bestaan, ofschoon reeds volgens het stelsel van Ptolemaeus (zie Planeten) de hemellichamen zich vrij in het wereldruim bewogen. Aan het stelsel van Ptolemaeus, dat in de late Oudheid en in de Middeleeuwen heerschte, werd door Copernicus een einde gemaakt. Een voorlooper van Copernicus was in de Oudheid reeds Aristarchos, wiens heliocentrisch stelsel echter eerst na de ontdekkingen van Kepler, Galilei en Newton algemeen werd. Thans werden ook verschillende vragen, die de Oudheid slechts terloops had behandeld, voorwerp van onderzoek, zooals bijv. de vraag, of de wereld onbegrensd is, of de overige hemellichamen ook bewoond zijn enz. De vraag, of andere hemellichamen bewoond zijn, kan alleen door de sterrenkunde in zoo verre beantwoord worden, als men kan onderzoeken, of de voorwaarden voor organisch leven aldaar aanwezig zijn. De leer van het ontstaan der wereld noemt men kosmogonie (zie aldaar).

Onder wereld verstaat men ook de vergankelijke schepping, in tegenstelling met den eeuwigen geest.

Wereldaether. Zie Aether.

Wereldbeschouwing- is het geheel van de opvattingen, welke de afzonderlijke mensch zich omtrent het wezen en de beteekenis van alles, wat op aarde is en wordt, heeft gevormd. Haar aard hangt af van de wijze, waarop men zich den grondslag of de oorzaak van al het bestaande voorstelt. Terwijl het nihilisme alles voor schijn verklaart en het idealisme het bewustzijn als het primaire aanziet, neemt daarentegen het realisme het zijn als oorspronkelijke oorzaak aan. Verder is de vraag beslissend, of men de wereld (het eindige) als schijn en God (het oneindige) als het eenig werkelijke opvat (akosmisme), dan wel of men de verhouding juist omkeert (atheïsme). Beschouwt men God en wereld beide als werkelijkheid, dan moet de vraag beantwoord worden of men, evenals het theïsme en deïsme, tegenover de Godheid een geschapen wereld stelt, dan wel of men haar (pantheïsme) in de wereld laat bestaan. Al naar gelang de wereld als eenheid, dan wel als veelheid wordt opgevat, onderscheidt men verder een monistische en een pluralistische wereldbeschouwing; op

Sluiten