Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Noord-Brabant en Dubbeldam, Sliedrecht en Hardinxveld in Zuid-Holland. Tot de gemeente behoort een deel van de waarden van den Biesbosch. De bodem bestaat voor het grootste deel uit klei. De voornaamste middelen van bestaan zijn: scheepvaart, visscherij, scheepsbouw, het arbeiden aan waterwerken en dijken, landbouw enz. Tot de gemeente behoort het dorp Werkendam, de buurt Sasdijk, het gehucht Zevenhuizen en een aantal verstrooide woningen. Werkendam is een heerlijkheid, die o. a. in het bezit is geweest van de geslachten Van der Duyn. Oem van Wijngaarden, Van der Rijt, Bentheim-Steinfurt en Roest van Alkemade.

Het dorp Werkendam, gebouwd aan een dam in de Werke, bezit een gemeentehuis, een Hervormde kerk, een synagoge en een haven. Vroeger was er een oud slot. Het dorp heeft dikwijls door watervloeden geleden.

Werken-en-Sleeuwtjk, De, een gemeente in de provincie Noord-Brabant, 2278 H. A. groot met (1910) 3299 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Werkendam, Dussen, Emmikhoven, Almkerk c. a., Rijswijk, Woudrichem, Gorinchem en Hardinxveld. In het N. wordt zij begrensd door de M'Twede, in het Z. W. vindt men de killen van den Biesbosch. De bodem bestaat uit rivierklei. De voornaamste middelen van bestaan zijn landbouw, veeteelt, het arbeiden aan waterwerken en dijken en nijverheid. Tot de gemeente behooren de dorpen Sleeuwijk en De Werken en de buurten Kille en Werkenschedijk.

Werkliedenvereenigingen. Zie Arbeidersvereenigingen.

Werkloosheid is de toestand, waarin de valide arbeider verkeert, die tegen het loon, dat hij gewend is te verdienen, geen werkgelegenheid kan krijgen in het vak, dat hij geleerd heeft. In den regel is de arbeider met weinig fortuin bedeeld, en heeft om in zijn onderhoud te voorzien, der maatschappij niets aan te bieden dan zijn arbeid. Ontbreekt hem de gelegenheid zijn arbeid te verkoopen, dan derft hij ook elk inkomen, waarvan hij zich en de zijnen zou kunnen onderhouden.

De juiste omvang der werkloosheid op een gegeven oogenblik is nergens ter wereld bekend. Werkloozen-tellingen, die van staats- of gemeentewege hier en daar zijn ondernomen, al of niet met een volkstelling verbonden, kunnen dien omvang slechts bij benadering aangeven. De gegevens, die dan verstrekt worden, zijn van den werklooze zelf afkomstig en behoeven daarom contröle, die veel te moeilijk en ingewikkeld is om haar naar behooren in te stellen. Want eerst moet worden uitgemaakt om welke redenen de werklooze zijn laatsten werkgever heeft verlaten en door welke omstandigheden hij geen werk bij een anderen werkgever heeft kunnen vinden. Dit alles eischt een omstandig onderzoek, dat overbodig wordt, wanneer men alleen de werkloosheid binnen den kring der vakvereenigingen wil vaststellei). In een vakvereeniging toch zijn alleen opgenomen zij, die in een bepaald vak gewoon zijn hun brood te verdienen. Meldt zich een lid der vakvereeniging bij het bestuur als werkloos aan, en maakt hij aldus aanspraak op de voordeelen, die deze hem biedt (vrijstelling van contributie of uitkeering), dan wordt door dat bestuur een onderzoek ingesteld. Alleen de statistiek der vakvereeniging biedt ten opzichte van de werk¬

loosheid de noodige waarborgen. Ook de arbeidsbeurs geeft geen inzicht in de werkloosheid, omdat de aanmelding aldaar niet verplicht is en het feit, door de ervaring bewezen, is, dat zich bij de beurs in tijden van een groote crisis slechts weinigen aanmelden, omdat de arbeider weet daar in zulke tijden geen werk te kunnen vinden. De vakvereenigingscijfers zijn dusdeeenige betrouwbare, maar zij geven slechts licht omtrent den toestand van hen, die van zulk een vereeniging lid zijn, en dat is in de meeste landen slechts een klein deel van de in een vak werkzame arbeiders. In het algemeen wordt aangenomen, dat de toestand van hen, die niet tot een vakvereeniging zijn toegetreden, niet gunstiger is; zoodat de werkloosheidcijfers der vakvereenigingen als minimum-cijfers worden beschouwd. Niettemin geven deze cijfers in onderling verband over een reeks van jaren toch eenig inzicht in den stand van de bedrijven, die ze vertegenwoordigen.Vandaar dat de cijfers der groote vakvereenigingen (zooals de groote Engelsche trade unions, de freie Deutsche Gemrkschaften en de groote Algemeene Nederlandsche Diamantwerkersbond) worden gebruikt om den oogenblikkelijken stand van een vak te teekenen.

Uit de boven gegeven definitie zou kunnen worden afgeleid, dat werkloosheid een vaststaand begrip is. Maar niets is minder waar. Deze definitie sluit zich alleen aan bij de moraal der vakvereenigingen. Het blijft evenwel de vraag of hij werkloos genoemd mag worden, die hetzij in hetzelfde of in een ander vak een eenigszins lager loon kan verdienen. Is de werkman werkloos, die in plaats van f 18 als timmerman, f 1B als sjouwer kan verdienen? Ongetwijfeld is hij wegens gebrek aan werk uit zijn oorspronkelijk vak gestooten en dus van het vakstandpunt werkloos. Zijn economische toestand is evenwel nog van dien aard, dat hij van niemand hulp noodig heeft. Hoe verder, moeten wij hem noemen, die nooit gewend is geweest een bepaald vak te beoefenen, zoo nu en dan als handlanger optrad en op een bepaald oogenblik geen werk en geen patroon heeft?

Deze vragen hangen samen met de omstandigheden, die tot de werkloosheid aanleiding gaven. De oorzaken der werkloosheid zijn vele, hoewel alle zijn terug te brengen tot de ongunstige fluctuaties in de industrie, den handel, den landbouw en de verkeersondernemingen .Er is in den tegenwoordigen tijd geen enkel oogenblik, waarop deze stabiel zijn. Ze gaan vooruit of achteruit; ze staan plotseling zoo goed als stil of nemen een ongekende vaart (zie Voortbrenging, Concurrentie en Crisis). Daaruit volgt, dat telkens een wisselend aantal werklieden noodig zijn. Al blijft het arbeidsaanbod hetzelfde, dan nog is de arbeidsvraag voortdurend wisselend met de wisselvalligheid van alle takken van bedrijf. Ten bate van deze fluctuaties is er altijd een aantal menschen aanwezig, dat gereed staat openstaande arbeidsplaatsen in te nemen. Bij ongunstige fluctuaties worden deze gelegenheidsarbeiders het eerst ontslagen. Het behoeft dus niet te verwonderen, dat alleen bij uiterst gunstige conjunctuur alle menschen die arbeiden willen, ook werk kunnen krijgen.

De bedoelde fluctuaties kunnen van geringen en van voorbijgaanden aard zijn, bv. de seizoenbedrijven hebben in het drukke seizoen werk, in den overigen tijd slechts weinig. Ze kunnen ook den vorm aannemen van calamiteiten (crisis). De geheele economische maatschappij is voortdurend

Sluiten