Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heldring) en „Mijn uitstapje van KampenTnaar Arnhem" (1845). Hij was lid van de Leidsche Maatschappij.

Werner, Gustav, een Duitsch godgeleerde en philanthroop, geboren te Reutlingen den 12den Maart 1809, studeerde te Tiibingen, deed er het proponentsexamen, werd in 1832 leeraar aan een instituut te Straatsburg, in 1834 hulpprediker te Walddorf bij Tiibingen en maakte hier een begin met zijn philanthropischen arbeid. Hij stichtte o. a. een kinderen industrieschool en nam arme, ouderloozekinderen tot zich om hun een Christelijke opvoeding te geven. In 1840 gaf hij, tengevolge van verschillende botsingen met zijn superieuren, zijn betrekking als vicaris op, en verhuisde met zijn kinder- en industrieschool naar Reutlingen. Tevens hield hij op vele plaatsen voorlezingen, waarin hij aandrong op openbaring van het Christelijk geloof door werken der liefde. In 1848 nam hij het besluit om tot nut der arbeidende klasse groote stichtingen tot stand te brengen, waarin zij, die daarin werden opgenomen, door eigen arbeid in hun onderhoud konden voorzien. Hij stichtte o. a. een groote papierfabrek te Reutlingen, waarbij zich,weldra een dergelijke inrichting te Dettingen en andere fabrieken en landbouwondernemingen op verschillende plaatsen aansloten. Daarmede verbond hij talrijke liefdadige instellingen. In 1851 werd Wemer, daar hij weigerde de Augsburgsche geloofsbelijdenis, waarmede hij niet in alle opzichten overeenstemde, te erkennen, afgevoerd van de lijst der predikanten. Hij overleed te Reutlingen den 2den Augustus 1887.

Werner, Karl, een Duitsch R. Katholiek godgeleerde, geboren te Hafnerbach in Neder-Oostenrijk den 88ten Maart 1821, bezocht het gymnasium te Melk en te Kremsmünster, het bisschoppelijk seminarium te St. Pölten en studeerde daarna te Weenen. Nadat hij zijn studiën voltooid had, was hij eerst werkzaam als leeraar in de theologie en de wijsbegeerte te St. Pölten en werd in 1870 hoogleeraar aan de universiteit te Weenen. Hij overleed aldaar den 4den April 1888. Van zijn geschriften noemen wij: „Der heilige Thomas von Aquino" (3 dln., 1858—1859), „F. Suarez und die Scholastik der letzten Jahrhunderte" (2 dln., 1861) „Gesehichte der apologetischen und polemischen Literatur der christlichen Theologie" (5 dln., 1851—1867), „Geschichte der kathoüschen Theologie Deutschlands seit dem Trien ter Konzil"(1866), „System der christlichen Ethik" (3 dln., 1850—1852), „Yico als Philosoph und gelehrter Forscher" (1879), „Die Italienische Philosophie des 19. Jahrh." (5 dln., 1884—1886) en „Scholastik des spatern Mittelalters" (4 dln., 1881—1887). Ook gaf hij het 18de deel van de „Universalgeschichte der katholischen Kirche" van Rohrbacher in de Duitsche bewerking uit.

Werner, Karl, een Duitsch schilder, geboren te Weimar den _4den October 1808, bezocht sedert 1824 de Academie van Beeldende Kunsten te Leipzig en van 1826—1827 de universiteit aldaar. Na een verblijf van eenige jaren te München vertrok hij in 1833 met een jaargeld naar Italië, waar hij bijna 20 jaar vertoefde. In 1851 bezocht hij voor de eerste maal Engeland en werd er lid van het Institute of painters in watercolours. Later deed hij reizen naar Span je, het Oosten en Griekenland. Nadat hij korten tijd te Hamburg had gewoond, vestigde hij zich te Leipzig, waar hij in 1882 professor werd aan de

Academie. Hij overleed den 10dCT Januari 1894* Van zijn kunstwerken vermelden wij: „Het marktplein te Piperno", „Venetië in zijn luister en in zijn verval", „Het paleis van den Doge", „Het inwendige der kerk in Cefalu", „Studiën uit Pompeji", „Gezicht op Spoleto met het paleis van Diocletianus", „De leeuwenhof in het Alhambra", „Gezicht op Beiroet", „Het eiland Philae", „De kruiskerk te Jeruzalem" en „De groote moskee te Damascus". Zijn beroemde studiën uit Palestina zijn gedeeltelijk opgenomen in het prachtwerk: „The Holy Places", die van denNijlin zijn „Nilbilder". Zijn twaalf studiën van de belegering van Rome door generaal Loudinot (1849) zijn door Dominico Amici in koper gegraveerd.

Werner, Reinhold von, een Duitsch admiraal, geboren den 10den Mei 1825 te Weferlingen bij Gardelegen, bezocht de gymnasia te Maagdenburg en Helmstedt, begaf zich op zee, kwam in 1849 als opperstuurman van zijn zevende reis van Oost-Indië terug, trad in dienst bij de Duitsche en vervolgens bij de Pruisische Marine, nam deel aan de Oost-Aziatische expeditie (1859—1862), werd kommandant van het fregat „Gefion", daarna van de stoomkorvet „Nvmphe", later van het fregat „Kronprinz", in 1872 chef van een eskader, blokkeerde in 1873 de Spaansche havenstad Cartagena, werd hoofddirecteur van de werf te Wilhelmshaven, in 1875 schoutbij-nacht en nam in 1878 zijn ontslag. In 1898 werd hij tot vice-admiraal bevorderd, in 1901 werd hij in den adelstand verheven. Hij overleed den 26sten Februari 1909 te Charlottenburg. Hij schreef: „Die preuszische Expedition nach China, Japan und Siam" (2de druk, 1873), „Die preuszische Marine, ihre Beteiligung am Deutsch-Danischen Kriege, ihre Bedeutung und Zukunft" (1864), „Die Schule des Seewesens" (1866), „Das Buch von der deutschen Flotte" (8ste druk, 1902), „Seebilder" (1876), „Atlas des Seewesens" (1871), „Erinnerungen und Bilder aus dem Seeleben" (7de druk, 1898), „Berühmte Seeleute" (2 dln., 1882—1884), „Der Peter von Danzig" (1884), „Auf See und an Land" (1884), „Drei Monate an der Sklavenküste (1885), „Bilder aus der deutschen Seekriegsgeschichte" (1899) en „Deutschlands Ehr' im Weltenmeer" (1902).

Werner, Fritz, een Duitsch 'genreschilder, geboren den 3den December 1827 te Berlijn, werd aldaar opgeleid voor kopergraveur en hield zich daarna een tijd lang bezig met het etsen van portretten, terwijl hij ook o. a. de „Tafelronde van Frederik den Groote" naar Memel graveerde. Nadat hij zich in 1855 te Düsseldorf had gevestigd, volgde hij in 1861 Menzel naar Koningsbergen, waar hij hem hielp bij zijn studies voor het groote kroningsschilderij. Sedert 1864 legde hij zich voor goed op de schilderkunst toe. Zijn eerste werk „Grenadier in de voorkamer te Rheinsberg" (1864) verschafte hem de middelen voor een studiereis naar Amsterdam en Parijs, waar hij onder Bonnat werkte en ook sterk den invloed van Meissonier onderging» Naar diens opvatting schilderde hij daarna genrestukken uit den Rococotijd en het moderne leven, die uitmunten door geestige karakteristiek, heldere nuanceering en fijne belichting van binnenhuizen. Ook schilderde hij landschappen en architectuurmotieven. Zijn voornaamste werken zijn: „De vaandrig van het regiment Schwerin", „Gesprek van Pruisische grenadiers aan het hek te Sanssouci", „Frederik" de

Sluiten