Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drachten, waaronder: „Die mathematisch-naturwissenschaftliche Forschung in ihrer Boziehung zum modernen Rumanismus" (1898) en „Weltwirtsehaft nnd Nationalerziehung" (1900).

Wernigerode, een graafschap in den Harz, toebehoorend aan den vorst von Stolberg-Wernigerode, ligt tusschen Halberstadt, Grubenhagen en Wolfenbüttel, vormt sedert 1825 een arrondissement van het Pruisische distrikt Maagdenburg, heeft een uitgebreidheid van ruim 278 v. km. en telt (1905) 34 456 inwoners. Het noordelijk gewest van het graafschap vormt een vlakte met slechts weinig heuvels, maar het zuidelijk gewest omvat het hoogste gedeelte van den Harz met den Broeken, het Ilsedal en uitgestrekte bosschen.

De hoofdplaats van het graafschap en van het arrondissement, de stad Wernigerode ligt aan de Holzemme, aan een zijlijn van de Pruisische staatsspoorwegen en aan een van de Harzspoorwegen. Zij is de zetel van een landraad en van een rechtbank en bezit 3 Protestantsche kerken, een kapel, een Oud-Luthersche kerk, een gymnasium, een weeshuis, een oud raadhuis, een sanatorium voor zenuwlijders, een arbeidsherstellingsoord, een vorstelijk consistorium, onderscheiden fabrieken, een aanzienlijken houthandel en (1905) 13 137 inwoners. Naast de stad verheft zich op een berg ter hoogte van 120 m. het grafelijk kasteel met een bibliotheek van 117 000 deelen, een verzameling van schilderijen, een kabinet voor natuurlijke historie en een dierentuin.

Het graafschap werd in ouden tijd bestuurd door eigen graven; een van deze, Koenraad 11, droeg in 1268 het graafschap op aan de markgraven van Brandenburg uit het Askanische Huis. Na het uitsterven van dit laatste verviel de souvereiniteit aan het aartsbisdom Maagdenburg. Toen echter het geslacht der graven van Wernigerode in 1429 uitstierf, kwam het grafelijk bewind in handen van graaf Bodo II van Stolberg, die verwant was met den laatsten graaf van Wernigerode. In 1807 werd Wernigerode toegevoegd aan Westfalen, in 1814 kwam het weder aan Pruisen. De graven, sedert 1890 vorsten van Wernigerode, bezitten een woud in het ambt Hohenstein, het Huftal, en de Rothehütte, het ambt Gedern in het gebied van Hessen-Darmstadt en het groote gebied Ottowald in Opper-Silezië. Ook hebben zij andere bezittingen in Silezië en Posen. In 1876 gingen de regeeringsrechten van de graven Stolberg-Wemigerode over aan Pruisen.

Werphout noemt men een toestel van hout, bamboe, leder enz., dat dient om speer en pijl met grooter kracht te kunnen wegslingeren. Het is 40— 120 cm. lang en plankvormig (werpplank) of stokvormig (werpstok), of wel het bestaat uit een strook leder (werpriem), vlechtwerk (werpstrik) enz. De werpplank draagt aan het ééne uiteinde een haak, welke grijpt in een kleine uitholling van het beneden vlak van de speer; de werpstok bevat een uitholling, waarin een aan de speerschacht bevestigde haak past. Bij het werpen wordt de rechterhand snel in de worprichting bewogen, waarbij de speer zich van het werphout losmaakt en voortvliegt. De werpriem en strik'zijn of vast met de speer verbonden, of zij kunnen langs deze verschuiven en blijven dan bij het werpen in de hand. In beide gevallen worden zij vooraf om de speer gewonden, Waaraan zij bij den worp een ronddraaiende beweging geven.

Het werphout wordt of werd gebruikt in Australië en in gedeelten van Melanesië en Mikronesië, in Azië in de Amoerlanden, op Sachalin en in gedeelten van arctisch N. O. Azië, in Amerika op de Aleoeten en op Groenland; tot ongeveer 1530 was het in gebruik bij vele Indianen, de oude Mexicanen en hun naburen, thans alleen nog aan het Patzcurameer. In Z. Amerika bedienen er zich de omwoners van de Boven-Sjingu en den'Araguaya van. In Europa heeft men in Frankrijk werphouten, vervaardigd van beenderen, gevonden, die uit den rendiertijd afkomstig zijn. Werpriemen en - strikken'gebruikten in de Oudheid o. a. de Grieken (dyxvAij) en de Romeinen (amentum). Thans worden zij nog aangetroffen op Nieuw-Caledonië, op de Nieuwe Hebriden, op Nieuw-Zeeland en Hawaï, in Togo en Indië.

Werpplank. Zie Werphout.

Werpflzer (in den Oost-Soedan Troembaaj of Koebada, Arabisch Sjangermanger) is een mes- of sikkelvormig werpwapen, dat bestaat uit een plat heft van 2—5 cm. breedte, waarin één of meer dolkvormige klingen zijn bevestigd, welke met het heft in één plat vlak liggen. Het handvat is in den regel omvlochten. Het werpijzer wordt horizontaal geslingerd, waarbij het om zich zelf draait, zoodat het door een snijdende beweging verwondt. Het is ontstaan uit de houten werpwapens, welke de oude Egyptenaren gebruikten en waarmede de kinderen in den Soedan nu nog spelen. Wegens zijn betrekkelijke kostbaarheid is het bijna overal, waar het gebruikt wordt, handwapen en sieraad geworden. Alleen hier en daar ten Z. van het Tsaadmeer wordt het nog in het afstandsgevecht gebruikt. Het komt alleen voor in Afrika in een gebied, dat van Tibesti in het N. tot voorbij den Midden-Kongo in het Z. en van den F8,n aan de W. kust tot de NiamNiam en de A-Loer in het O. reikt.

Werra, de rechter bronrivier van de Wezer, ontspringt in het Thüringer Woud in het arrondissement Hildburghausen van Saksen-Meiningen niet ver van de grenzen van Schwarzburg-Rudolstadt, uit twee bronbeken, de Saar (Natte Werra) en de Droge Werra, welke zich na een korten loop bij Schwarzenbrunn vereenigen. De vereenigde Werra stroomt nu langs den voet van de zuidwestelijke helling van het Thüringer Woud in noordwestelijke richting door het hertogdom Saksen-Meiningen langs de steden Eisfeld, Hildburghausen, Themar, Meiningen, Wasungen en Salzungen. Vervolgens stroomt zij even door Saksen-Weimar en daarna over Pruisischen bodem, waar zij zich, na een loop van 292 km. bij Hannoversch Münden met de Fulda vereenigt en den naam van Wezer aanneemt. Haar belangrijkste zijrivieren zijn op den rechter oever de Schleuse, de Hasel met de Schwarza, de Schmalkalde, de Truse, de Schweina en de Nesse met de Hörsel, op den linker oever: de Ilerpf, de Felda, de Ulster, de Wehra en de Gelster. De Werra is bevaarbaar van Wanfried af over een lengte van 58,5 km., maar slechts voor kleine schepen. Zij bevat veel visch stroomt door een vruchtbaar, goed bebouwd en dicht bevolkt landschap en heeft zeer bevallige oevers. Naar deze rivier is de Werraspoorweg genoemd, die vroeger aan particulieren behoorde, doch in 1895 aan den Pruisischen staat kwam. De voornaamste lijn loopt van Eisenach over Meiningen naar Koburg.

Werragebergte is de naam van het noor-

Sluiten