Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lende- en heiligbeenwervels. Van de eerste drie soorten telt men bij den mensch 24, en deze dragen den naam van ware wervels (vertebrae veraé)\ voorts heeft men twee beenderen, namelijk het heiligbeen (os sacrum) en het staartbeen (os coccygis), welke door de vergroeiing van valsche wervels (vertebrae spuriae) zijn ontstaan. De ware wervels gelijken op onregelmatig gevormde ringen. Ieder bezit een voorste gedeelte of lichaam en een achterstuk of boog, door het ruggrmergsgat (foramen medullare s. spinale) van elkander gescheiden. Het lichaam (corpus) bestaat grootendeeïs uit een sponsachtige zelfstandigheid en is aan de voorvlakte in dwarse richting gewelfd en van boven naar beneden een weinig uitgehold. De achtervlakte is, evenals het boven- en ondervlak, eenigszins hol en bezit verscheiden openingen, voor bloedvaten bestemd. De boog (arcus) bestaat uit dichtere beenstof, komt aan weerszijden met een dunneren wortel uit het lichaam en wordt naar achteren breeder en platter. Waar de boog het lichaam van den wervel verlaat, bezit hij boven en onder een insnijding (incisura vertebralis), van welke de laatste de diepste is. Iedere insnijding wordt door den volgenden wervel in een tusschenwervelgat (foramen intervertebrale) veranderd ten behoeve van de ruggemergzenuwstammen, die er door uittreden. Elke boog heeft 7 uitsteeksels, welke zóó met elkander verbonden zijn, dat uit die vereeniging de boog ontstaat; zij worden in spier- en gewrichtsuitsteeksels onderscheiden (processus musculares et articulares). De spieruitsteeksels zijn: het doornvormig uitsteeksel (processus spinosis) op het midden van den boog tegenover het lichaam en de dwarse uitsteeksels (processustransversï),van welkeer een aan weerszijden van den oorsprong van den boog ontspringt. De gewrichtsuitsteeksels onderscheidt men in twee bovenste en twee onderste, die elk een gewrichtsvlakte bezitten, waarvan de bovenste naar achteren en de onderste naar voren is gekeerd. De wervels nemen in het algemeen van boven naar onderen in grootte toe en zijn onderling verschillend.

Van de 7 halswervels namelijk wijken inzonderheid de eerste en tweede in gedaante aanmerkelijk af van de overige, terwijl het doornvormig uitsteeksel van den zevenden halswervel langer is, niet gespleten en meer naar beneden uitsteekt. De eerste halswervel (atlas) bezit in plaats van een lichaam een voorsten boog, aan wiens achterste gedeelte een gewrichtsvlakte ter geleding met den tweeden wervel voorkomt. De tweede halswervel (epistropheus s. axis) heeft een sterk uitsteeksel, een tand (dens epistropheï), loodrecht op de bovenvlakte van het lichaam geplaatst, om welken het hoofd met den atlas draait. De halswervels hebben bovendien als kenmerk, dat de dwarse uitsteeksels een opening vertoonen voor de wervelslagader en wervelader. De borstwervels, 12 in getal, bezitten 4 gewrichtsvlakten ter geleiding met de hoofdjes der ribben, namelijk 2 bovenste en 2 onderste, zoodat de bovenste van den eenen met de onderste van den volgenden wervel een holte vormt voor het ribbenhoofd. De lichamen der borstwervels nemen van boven naar beneden in grootte toe. De 5 lendewervels overtreffen de vorige in grootte en vertoonen zich overdwars als eironde lichamen, welke aan de voorzijde hooger zijn dan aan de achterzijde. Het heiligbeen ligt tusschen den vijfden lendewervel, de

beide heupbeenderen en het staartbeen aan het ondereinde der wervelkolom en bestaat uit 5 met elkander vergroeide valsche wervels. Het heeft den vorm van een gebogen pyramide, waarvan de basis naar boven en de top naar onderen en naar voren is gekeerd. Het been wordt in zijn langste afmeting door een kanaal (canalis sacralis) doorboord, een voortzetting van het ruggemergkanaal. Het stuit- of staartbeen is het onderste en kleinste been van de wervelkolom en bestaat gewoonlijk uit kleine, sponsachtige beenstukken. De wervelkolom, uit bovengemelde beenderen gevormd, omsluit een buis, die zich van de grondvlakte van den schedel totonderaanden romp uitstrekt en gelegen is in het vlak, volgens hetwelk men het lichaam in twee zijdelingsche helften verdeelen kan. Van ter zijde beschouwd, is de wervelkolom in bepaalde richtingen gebogen, namelijk het halsgedeelte is naar voren matig gewelfd, het borstgedeelte sterk achterwaarts gebogen, het lendegedeelte bol naar voren en het heiligbeen naar achteren, met andere woorden, de wervelkolom is naar achteren gebogen, waar aan de borstzijde een beenstuk (borstbeen en schaambeen) voorhanden is. Die krommingen worden veroorzaakt door het verschil van hoogte, dat men aan het tusschenliggend kraakbeen vóór en achter aan de wervellichamen opmerkt. De wervelkolom kan gebogen en gestrekt, zijdelings en om haar as gedraaid worden. De grootste beweging van buiging en strekking heeft men tusschen den 2del en den 7den halswervel, tusschen den licen borst- en den 2dcn lendewervel en bij de verbinding van den 2den lendewervel met het heiligbeen. Door oefening kan men aan de wervelkolom een verwonderlijke mate van beweegbaarheid geven. De buigende en strekkende beweging van het hoofd heeft plaats tusschen het achterhoofd en den atlas en de draaiing tusschen dezen en den tweeden halswervel.

Wervelwind. Zie Wind.

Wervershoof, een gemeente in de provincie Noord-Holland, 1448 H. A. groot met (1910) 2429 inwoners, wordt begrensd door de Zuiderzee en door de gemeenten Medemblik, Midwoud, Nibbixwoud, Westwoud, Hoogkarspel en Andijk. De bodem bestaat uit zeeklei. De voornaamste middelen van bestaan zijn veeteelt, zuivelbereiding en landbouw. De gemeente heeft eerst bij de wet van 1867 haar tegenwoordizen omvang gekregen. Zij omvat het dorp Wervershoof, de buurten Hoogendijk, Lagendijk en Zwaagdijke, benevens een deel van het dorp Hauwert.

Het dorp Wervershoof bezit een Roomsch-Katholieke en een Hervormde kerk. Het is een oude plaats. In 690 werd daar op last van Willebrord door den priester Werenfried een priesterhuis gesticht.

Werving- is het vormen of aanvullen van legers van recraten, die vrijwillig tegen handgeld in dienst treden. Zij staat dus tegenover de conscriptie en den algemeenen dienstplicht,welke berustenop het stelsel van wettelijke verplichting tot den krijgsdienst. Reeds in de Oudheid bekend, trad zij vooral in Middel-Europa meer en meer op den voorgrond, waar zij in het tijdvak van den Dertigjarigen Oorlog haar hoogtepunt bereikte. Thans wordt zij nog gebruikt voor de vorjning van vreemdelingenlegers, zooals in Nederland voor Nederlandsch 0. Indië en in Frankrijk voor het Vreemdelingen-Legioen,

Sluiten