Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrok naar Frankrijk, promoveerde te Caen in de medicijnen en vestigde zich in 1723 als arts te 's Gravenhage, waar hij weldra een uitgebreide praktijk verkreeg en tevens tijd wist te vinden voor de beoefening der Latijnsche en Ncderlandsche poëzie. Door zijn huwelijk met Anna Weytsen, de weduwe van Reirder van Oldenbarnevelt, in 1625 werd hij heer van Brandwijk, liet de geneeskunde varen, betrok het buitengoed West-Escamp, het vroegere buiten van Oldenbarnevelt, en stichtte in 1647 bij Loosduinen het buitenverblijf Ockenburg, waar hij zich wijdde aan letterkundigen arbeid en den 31sten Maart 1670 overleed. In zijn dichtwerken volgt hij den trant van Huygens en Cats. In 1624 gaf hij een

Jacob Westerbaen.

bundel „Minnedichten" uit. Verder schreef hij een aantal vertalingen, o. a. van de „Basia" van Janus Secundus, de „Lans Stultitiae" van Erasmus (1658) de „Troades" van Seneca (1658), de blijspelen van Terenlius, de „Ars amatoria" en de„Remediaamoris" van Ovidius (1665—1666). Verder leverde hij een nieuwe psalmberijming. In 1657 verscheen er een nieuwe uitgave van zijn gedichten, verdeeld in de rubrieken: „Minnedichten", „Heldendichten", „Mengeldichten", „Ockenburgh" en „Farrago Latina." Na zijn dood werd een nieuwe uitgave van zijn werken in het licht gegeven (1672).

Westerbaen, Cornelis Willemsz., een Nederlandsch predikant, een bloedverwant van den voorgaande, geboren in 1690 te Katwijk, was eerst Remonstrantsch predikant te Noordwijk en vervolgens te Brielle, Utrecht en Rotterdam, waar hij den 13den September 1774 overleed. Hij leverde de vertaling van een „Algemeene geschiedenis" in 19 deelen en vervaardigde eenige gedichten.

Westerbaen, Cornelis Willem, een Nederlandsch predikant, een bloedverwant van de voorgaarden, werd geboren te Amsterdam den 268ten October 1764 en overleed aldaar als Remonstrantsch predikant den 22Bten Februari 1832. Hij schreef: „Lofrede op Lublink de Jonge" (1817) en „Lijkrede op M. Stuart" (1827), alsmede leerredenen en bijdragen in tijdschriften.

Westerbork, een gemeente in de provincie Drente, 13 597 H. A. groot met (1910) 3 156 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Rolde, Beilen, Hoogeveen, Oosterhesselen en Zweeloo en raakt op sommige punten bovendien aan Sleen, Odoorn en Borger. De bodem bestaat grootendeels uit diluviaal zand, door eenige beekjes is laagveen gevormd. Het vroegere hoogveen in het Z. is afgegraven. De voornaamste bezigheden zijn landbouw, de teelt van paarden, rundvee en schapen en veenderij. Tot de gemeente behoort het dorp Westerbork, de buurten Nieuweroord, Elp, Zwiggelte, Orvelte en Mantinge, benevens een aantal gehuchten.

Het dorp Westerbork bezit een Hervormde en een Gereformeerde kerk. In een oorkonde van 1206 wordt het als Burch vermeld.

Westerbotten, een landschap in het noorden van Zweden, strekt zich uit langs de Botnische Golf tot aan de Torne&elf en wordt besproeid door de Umeè-, Skellefte&-, Pitei-, Lule4- en Kalix-elf alsmede door onderscheiden kleinere rivieren. Het noordelijk gedeelte met het noorden van Lapmarken draagt den naam van Norbottenslan. Het lan Westerbotten omvat het zuidelijk gedeelte van het landschap van dien naam, de beide noordelijke kerspelen ;an Angermanland en het zuidelijk gedeelte van Lapmarken, namelijk het dal der Umeê,-elf, alsmede het stroomgebied van den benedenloop der Angerman-elf, in het geheel een uitgebreidheid van 58 993 v. km. met (1906) 154 548 inwoners. Van dit grondgebied behoort */3 tot de Lapmarken, hier leiden ongeveer 1400 Lappen met hun rendieren een zwervend leven. Dit gedeelte is bergachtig, terwijl het landschap aan de Botnische Golf hoofdzakelijk uit vlakke, zandige heidevelden bestaat, afgewisseld door poelen, moerassen en meren. De belangrijkste bronnen van bestaan zijn veeteelt, landbouwjjen visscherij. De hoofdstad is Ume&.

Westerg-aard, Niels Ludwig, een Deensch beoefenaar der Oostersche letteren,geboren te Kopenhagen den 273,en October 1815, studeerde aldaar, te Bonn, Parijs, Londen en Oxford, reisde in Indië en Perzië en werd na zijn terugkeer hoogleeraar in de letteren in zijn geboortestad, waar hij den 9den September 1878 overleed. Van zijn geschriften noemen wij: „Radices linguae Sanscritae" (1841), „Sanskrit Formlara" en „Sanskrit Lasebog" (1846J, een kritische uitgave van de „Zendavesta" (1854) en van den „Bundehesh" (1851), „De aldste Titsrum i den indiske Historie", „Buddhas dödsaar" (1860) en werken over het Perzisch spijkerschrift.

Westergoo, een landschap in het N. W. van de provincie Friesland, wordt begrensd door de Zuiderzee, de Wadden, Oostergoo en Zevenwolden. In kronieken van de jaren 734 en 736 wordt dit landschap reeds vermeld. Li deze en andere geschriften komt het onder den naam Westarchia, Westerache, Weslrahe en Westerriche voor. Waarschijnlijk was het een afzonderlijk graafschap, waartoe misschien ook Ameland heeft behoord. De Hollanders hebben tevergeefs getracht hier invloed uit te oefenen. Tijdens de republiek bevatte het als een der Friesche kwartieren de grietenijen Menaldumadeel, Franekeradeel, Barradeel, Baarderadeel, Hennaarderadeel, Wonseradeel, Wijmbritseradeel, Hemelumer Oldefaart en Noordwolde en 't Bilt Binnen den omvang van dit kwartier lagen de ste

Sluiten