Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licisme (zie aldaar), in tegenstelling met de Oostersche of Grieksche Kerk (zie aldaar).

Westerschelde. Zie Eont.

Westerwolde, een landschap in het Z. 0. van de provincie Groningen, vroeger een bijzondere heerlijkheid, behoorde waarschijnlijk eens tot Saksen, doch werd door Friesche kolonisten bevolkt. Het oppergezag werd uitgeot fend door 12 gekozen rechters uit de dorpen Sellingen, Onstwedde, Vlachtwedde, Wedde en Vriescheloo. Om aan de aanmatiging van het geslacht Addinga te ontkomen, stelden de inwoners zich in 3316 onder het gezag van den bisschop van Munster. Toch wisten de Addinga's zich tot erfelijke hoofdelingen te verheffen en Westerwolde als leen van den Munsterschen bisschop te verkrijgen. Daarom sloot Westerwolde in 1447 een verbond met de stad Groningen. Later kwam het landschap in bezit van den hertog van Gelder, die zijn leenman Berend van Hackfort met het huis te Wedde beleende. Nadat vervolgens George Schenek van Toutenburg het gezag van Karei V in de noordelijke provincies had gevestigd, ontving hij in 1536 Westerwolde als leen, waartegen Munster en de Addinga's zich tevergeefs verzetten. In 1562 kwam het gebied door koop in het bezit van den hertog van Arenberg, in 1617 aan een Amsterdamsch koopman Willem van den Hove. die het in 1619 aan Groningen verkocht. Hot werd niet bij de provincie Stad-en-Lande ingelijfd, maar bleef tot 1795 een generaliteitsland. Behalve de 5 genoemde dorpen omvat Westerwolde thans nog de dorpen Ter-Apel, Bourtange, eenige wijken van Oude en Nieuwe-Pekela, en de dorpen De Horsten en Ter Apelerkanaal.

Westerwoldsche Aa is een gekanaliseerde rivier in het Z. O. van de provincie Groningen, die uit de Ruiten Aa en de Mussel Aa (zie aldaar) ontstaat. Zij gaat langs Wedde, Oudeschans, Nieuweschans en door de Nieuwe Statenzijl in den Dollart, waar haar water tusschen de bij laagwater droogvallende gronden door de Buiten Aanaarde Eems wordt afgevoerd. De rivier is bevaarbaar tot Wedde.

Westerwoud is een gedeelte van den oostelijken vleugel van het Rijnsche leisteengebergte, dat, als een met steile, vaak rotsachtige hellingen uit de dalen van de Lahn, den Rijn en de Sieg zich verheffende hoogvlakte, het noordelijk gedeelte beslaat van het Pruisisch distriktWiesbaden, het oostelijk gedeelte van het distrikt Koblenz, een gedeelte van de distrikten Keulen en Arnsberg en door zijn uitloopers een klein gedeelte van het distrikt Kassei. Binnen deze grenzen verheft zich het Hooge Westerwoud meerendeels in het distrikt Wiesbaden, nabij de zuidelijk grens van Westfalen. De hoogste toppen van het geheele gebergte zijn: de Salzburger Kopf of Saalberg (654 m.) in de nabijheid van Salzburg en de Fuchskauten (657 m.) bij Nister. Deze toppen liggen evenwel slechts 60—80 m. hooger dan de wegen in hun nabijheid. Van deze toppen af neemt de hoogte naar bijna alle zijden af, het minst naar het zuidoosten, terwijl die hoogte in de richting van het noord-noordoosten, op de waterscheiding tusschen de Sieg en de Lahn, op de grenzen der provinciën Hessen-Nassau en Westfalen, toeneemt (Jagdberg 674 m.). De bronnen van de Lahn en de Sieg liggen op een hoogte van 602 en 603 m. Terwijl de gemiddelde hoogte van het Hooge Westerwoud meer dan 500 m. bedraagt, dalen de

XYI

hoogvlakten daarbuiten tot 400 en 300 m. In het zuidwesten bereikt het MontabaurerWoud een hoogte van 546 m. Naar het westen, ten zuiden van de Sieg, waar de Seelbachs zich tot een hoogte van 532 m. verheft, helt het Westerwoud langzamerhand af naar het Zevengebergte. Uit een aardkundig oogpunt kan men het Westerwoud verdeelen in drie gewesten, n. 1. dat der Devonische lagen, de kern van het Westerwoud met het middelpunt Westerburg en het bekken van Limburg. Het eerste omvat liet gedeelte der oppervlakte ten westen van de lijn, welke de steden Dietz, Montabaur en Hachenburg vereenigt, en ten noorden van de lijn HachenburgHaiger. In het westen van dit gedeelte vindt men kommen met diluviale en tertiaire lagen, waarvan de laatste bruinkolen en uitmuntende potklei leveren. Aan den rand van het bekken van Neuwied, tusschen Bendorf en de Wied en hier en daar tot aan Westerburg vindt men vulkanisch tuf, ver in het noordwesten verrijzen uit het leisteengebergte de vulkanische massa's van het Zevengebergte, met trachiet, andesiet en doleriet in de zuidelijke en bazalt in do noordelijke massa's. Ook elders vindt men er veel bazalt. De Devonische vorming is verbazend rijk aan ijzererts, inzonderheid tusschen Altenkirchen en Siegen. Het tweede gedeelte bestaat uit miocene tertiaire lagen met uitgestrekte bruinkolenbeddingen, verbonden met trachiet- en bazaltconglomeraat en vele bazaltmassa's, ook trachiet, andesiet en phonolieth komen voor, soms tezamen met puimsteenzand, vooral in het gebied tnsschen Westerburg en Montabaur. Het bekken van Limburg, dat aan beide zijden van de Lahn zich tot aan de westelijke grenzen van het distrikt Wetzlar uitstrekt, bestaat voornamelijk uit middel en opper-Devonische lagen met diabaas en steenkoolkalk en bevat aanzienlijke bruinsteenlagen en ijzersteenbeddingen. Het Westerwoud is over het geheel begroeid met uitgestrekte wouden en in zijn hoogste gedeelten zeer woest. Tot een hoogte van 300 m. groeien bijna alle veldvruchten en zeer veel ooft, tot ongeveer 500 m. komt haver, vlas, aardappelen, gerst en rogge voor. Hooger vindt men voortreffelijke weiden. De nijverheid is in het noordelijk gedeelte beter ontwikkeld dan in de zuidelijke streken, zij strekt zich hoofdzakelijk uit over mijnbouw, ijzersmelterij en pottebakkerij. Het gebergte wordt aan alle kanten door spoorwegen omgeven, ook loopen er verschillende spoorwegen doorheen.

West-Europeesche tijd of Greenwiehtijd. Zie Eenheidstijd.

Westfaalsche Poort (Porta Westfalica). Zie Wegergebergte.

Westfaalsche Vrede of Vrede van Munster, werd gesloten den 24sten October 1648 te Munster en Osnabrück. Daardoor kwam een einde aan den Dertigjarigen en voor ons land aan den Tachtigjarigen Oorlog; tevens werden de grondslagen gelegd voor een nieuw staatkundig stelsel voor vele volgende vredesverdragen, terwijl inzonderheid voor Duitschland de bepalingen van den vrede tot aan de Groote Fransche Omwenteling beschouwd werden als te behooren tot de Duitsche grondwet. Reeds in December 1641 werden te Hamburg voorloopige schikkingen gemaakt omtrent de plaats en de wijze der onderhandelingen. Deze namen een aanvang in 1643 te Osnabrück, waar de gezanten van den keizer, van de Rijksstanden en van Zweden

7

Sluiten