Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaraan deel namen, en te Munster tusschen den keizer en Frankrijk onder bemiddeling van den paus en van Venetië, alsook tusschen ons land en Spanje, en wel op zoodanigen voet, dat de artikelen, op beide plaatsen vastgesteld, eenzelfde tractaat vormden en geen gedeelte zonder het andere vrede kon sluiten. Deze scheiding had eensdeels plaats, om rangtwisten tusschen Frankrijk en Zweden te voorkomen en anderdeels, omdat Zweden niet onderhandelen wilde met den pauselijken nuntius. Van de zijde van Frankrijk bevonden zich te Munster de hertog de Longueville, d1 Avaux en Servien, die hun aanwijzingen ontvangen hadden van Mazarin en Lijonne. Zweden had er als gevolmachtigden Johan Oxenstierna, den zoon van den kanselier, en Adler Salvius. De keizerlijke afgevaardigden waren graaf Johann Ludmg von Nassau en lsaak Volmar te Munster en graaf Max von Trautmannsdmf te Osnabrück. De pauselijke nuntius was Fabio Chigi (later paus Alemnder VU) en de Venetiaansche gezant Contareno. Vanwege het hof van Spanje bevonden er zich Saveedra, Brun enz., en de republiek der Vereenigde Nederlanden had acht gevolmachtigden gezonden, namelijk Barthold van Gend, heer van Loenen en Meinerswijk, vanwege Gelderland; Joan van Mathenes, heer van Mathenes, Riviere, Opmeere en Zouteveen, en Moriaan Pauiv, ridder en heer van Heemstede, vanwege Holland; Joan de Knuit, eerste edele van Zeeland, vanwege Zeeland; Godard van Rheede, heer van Nederhorst, vanwege Utrecht; Frangois van Donia, heer van Hinnema en Hielsum, vanwege Friesland; Wilhelm Ripperda, heer van Hengeloo, vanwege Overijsel en Adriaan Klant, heer van Stedum en Nittersum, vanwege Groningen en Ommelanden. Het Zwitsersche Eedgenootschap werd vertegenwoordigd door Johann Jacob Wetstein, burgemeester van Bazel. Van de Protestantsche afgevaardigden noemen wij nog Jacob Lampadius uit Bronswijk en Johan Konrad Varnbüler uit Württemberg. Adam Adami, gezant van den vorst-bisschop van Corvei, was secretaris der vergadering. Oneenigheden over rangen en titels vertraagden geruimen tijd de opening van het Congres. Gedurende de onderhandelingen werd de oorlog voortgezet en elk oorlogsfeit had invloed op de onderhandelingen. Den 24Bten October 1648 werd de vrede te Munster onderteekend, doch eerst drie maanden later (8 Februari 1649) had de uitwisseling der ratificatiën plaats en veel langer nog duurden de onderhandelingen over de uitvoering der bepalingen van het vredesverdrag. Het protest van den paus van den derden Januari 1651 bleef zonder gevolg.

De 79 artikelen hadden hoofdzakelijk betrekking op wijziging van grondgebied. Zweden verkreeg, behalve een schadeloosstelling van 5 millioen taler, geheel Voor-Pommeren met het eiland Rügen en de mondingen van de Oder, verder van Mecklenburg de stad Wismar, het aartsbisdom Breinen en het bisdom Verden, die in wereldlijke hertogdommen werden herschapen. Al de landen bleven rijksleenen van Duitschland en als zoodanig zou Zweden ze regeeren met zitting en stem op de Rijksdagen. De keurvorst van Brandenburg verkreeg het overige gedeelte van Pommeren en als schadeloosstelling voor Voor-Pommeren de bisdommen Halberstadt, Minden en Kammin als wereldlijke vorstendommen en het aartsbisdom Maagdenburg als

hertogdom. Niettemin bleef dit laatste tot 1680 in het bezit van den toenmaligen bestuurder, den Saksichen prins August. Hertog Adolf Friedrich von Mecklenburg-Schwerin ontving voor het afstaan van Wismar de bisdommen Schwerin en Ratzeburg als wereldlijke vorstendommen. Aan het Huis Brunswijk-Lünéburg werd in afwisseling met eer R. Katholieken bisschop de opvolging gewaarborgd in het bisdom Osnabrück en het verkreeg daarenboven de kloosters Walkenried en Groningen. Het Huis Hessen-Kassei verkreeg de vorstelijke abdij Hersfeld als een wereldlijk vorstendom, alsmede het graafschap Schaumburg. Beieren bleef in'het bezit van de Opper-Palts en van de keurvorstelijke waardigheid. De Beneder-Palts met den daaraan pas verbonden keurvorstelijken rang en het erfelijk schatmersterschap werd teruggegeven aan KarlLuduAg, een zoon van den verbannen Friedrich V. Frankrijk verwierf de souvereiriteit over de bisdommen en steden Metz, Toul en Verdun, die het feitelijk sedert 1552 reeds bezat. Verder deed de keizer voor zich zeiven, voor het Huis Oostenrijk en voor het Rijk afstand aan Frankrijk van alle rechten op de stad Breisach, op de landgraafschappen Opper- en Beneden-Elzas, op de Sundgau en op de landvoogdij over de Tien vereer.igde Rijkssteden in den Elzas. Zwitserland werd erkend als volkomen onafhankelijk van Duitschland. Ook liet laatstgenoemd rijk al zijn rechten op de Nederlanden als oud rijksben varen, zoodat deze zich geheel en al van Duitschland afscheidden, terwijl ook Philips IV van Spanje de Nederlanden als een onafhankelijken staat erkende. Daarenboven bepaalde het vredesverdrag een algemeene amnestie en teruggave der bezittingen volgens den toestand van 1618. Alleen de keizer maakte daarop een uitzondering ten aanzien van zijn erflanden. Met betrekking tot de Kerk bekrachtigde de Muntersche Vrede het verdrag van Passau en den Religievrede van Augsburg. De belijders van den R. Katholieken en van den Protestantschen godsdienst werden volkomen gelijk gesteld, maar de Protestantsche minderheid op de Rijksdagen mocht in godsdienstige aangelegenheden geen meerderheid worden. De strijd over de geestelijke gestichten en goederen werd onder opheffing van het restitutie edict van 1629 in dien zin beslist, dat men het jaar 1624 aannam als het normale jaar, zoodat Protestanten en R. Katholieken datgene in eigendom zouden verkrijgen, wat zij op den lsten Januari I624hadden bezeten: Ook met betrekking tot deze bepaling werden de keizerlijke erflanden uitgezonderd. De souvereiniteit der Rijksstanden werd erkend. Zelfs werd hun het recht gegeven onderling en met vreemde mogendheden verbintenissen aan te gaan, mits niet ten nadeele van den keizer en van het rijk. Over de nieuwe grondwet van het rijk zou later op een vergadering worden beraadslaagd.

De plannen van de R. Katholieke reactie en de Habsburgsche politiek om n.L het Protestantisme uit te roeien en geheel Duitschland aan een absolute keizerüjke militaire macht te onderwerpen, waren mislukt. Het Duitsche rijk verloor bij den vrede meer dan 100 000 v. km. land, terwijl zijn grens met Frankrijk verbrokkeld en onveilig werd. Oostenrijk werd in zijn bezittingen tot zijn erflanden beperkt en uit het verband met het overige deel van Duitschland losgemaakt, waardoor de keizerlijke waardigheid feitelijk haar beteekenis verloor.

Sluiten