Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teln, Lippe, Brunswijk, Hessen-Nassau en Waldeck, in het zuidwesten aan de Rijnprovincie en in het noordwesten aan Nederland en beslaat een opper- i vlakte van 20 214 v. km. Het zuiden van de provincie wordt door een uitgestrekt bergland ingenomen, waartoe aan de zuidpunt nog gedeelten van het Westerwoud behooren, die zich uitstrekken tot aan de bronnen van de Sieg en de Eder. Daarop volgt de bergstreek van Sauerland met het brongebied van de Sieg, de Lahn en de Eder. In het O. van deze bergstreek verheft zich het Rotlilagergebergte, dat in den Hardler een hoogte bereikt van 696 m., en ten N. O. daarvan het Winterberger Plateau, dat in den Astenberg 827, in den Hunau 824 m. hoog wordt. In het W. zijn het Ebbegebergte, in de Nordhelle 666 m. hoog, en het Lennegebergte, in de Homert 660 m. hoog, de voornaamste ketens. Tusschen de Ruhr en de Möhne strekt zich het Arnsberger Woud uit, ten N. van beide rivieren de Haarstrang, waarbij zich in het W. de Ardey aansluit. In het oostelijk gedeelte der provincie, in het distrikt Minden, verheffen zich uitloopers van het Leisteengebergte van den Rijn, de hoogvlakte van Paderborn met het Eggegebergte, dat in den Völmerstod (468 m. hoog) zich vereenigt met de Hercynische Bergstreek. Deze laatste strekt zich noordwestwaarts uit met twee bergketens: de zuidelijke (het Teutoburger Woud) neemt een einde in het distrikt Munster bij Bevergern, door de noordelijke (het Wezergebergte) baant in de Porta Westfalica de Wezer zich een weg, waarna het onder den naam van Wiehengebergte over het noordoostelijk gedeelte van het distrikt Minden voortloopt. Tusschen deze beide bergketens heeft men een heuvelachtig landschap, dat ten noordwesten inhetsteenkolengebergte van Ibbenbüren een eind neemt. De Noord-Duitsche Laagvlakte strekt zich op 2 plaatsen in Westfalen uit, namelijk op de eene plaats tot Minden aan de Wezer, op de andere plaats met de Bocht van Munster tot aai. de bronnen van de Eems en de Lippe. Het oostelijkste deel daarvan vormt de Senne. Van de heuvelgroepen in de Bocht van Munster zijn de Schöppinger Bergen (154 m.) en de heuvelgroep van Beckum (190 m.) de voornaamste. Het eigenlijke Munsterland is in het algemeen niet zeer vruchtbaar, het zuidelijk gedeelte van het laagland heeft echter een zeer dankbaren bodem. Westfalen behoort nagenoeg geheel en al tot het stroomgebied van de Wezer, de Eems en den Rijn. De Wezer ontvangt uit ditgewestde Diemei, de Nethe, de Emmer en de Werra, de Eems stroomt door de Bocht van Munster en neemt daar de Glane, de Za en de Werse op, de voornaamste zijrivieren van den Rijn zijn de Lippe en de Ruhr. Naar den Rijn vloeien verder nog de Lahn, de Sieg en de Emsclier, naar de Nieuwe IJsel de Oude IJsel en de Berkel, naar de Zuiderzee de Vecht met de Dinkel, en itaar de Fulda de Eder. Meren bezit Westfalen niet, een klein gedeelte van het distrikt Arnsberg en het distrikt Munster worden door het Dortmund-Eemskanaal doorsneden, het Rijn-Hannoverkauaal zal het distrikt Minden doorsnijden. Aan de Vecht, de Berkel, de Lippe en de Bastau vindt men uitgestrekte venen. Het klimaat is in het algemeen gematigd, alleen in de zuidelijke bergstreken is het guur. De gemiddelde jaarlijksche temperatuur wisselt af tusschen 8,6 8,96° C. Het klimaat is over het geheel vochtig, vooral in het distrikt Munster.

Het aantal inwoners bedraagt (1907) 3 777 159, waarvan de grootste helft den Katholieken godsdienst belijdt. Zij houden zich in de eerste plaats bezig met landbouw, in het Z. W. vormen mijnbouw en metaalindustrie de voornaamste middelen van bestaan. Van de geheele oppervlakte wordt 42,7% voor bouwland en tuinen, 8,1 % voor hooiland, 10% voor weiden en 28% voor bosch gebruikt. De voornaamste landbouwprodukten zijn: graan, peulvruchten, boekweit, tuinvruchten, vlas, hennep, ooft enz. In de omstreken \ an de Sieg zijn voortreffelijke kunstweiden. De veeteelt houdt zich voornamelijk bezig met het fokken van paarden, runderen, schapen en varkens. De voornaamste rijkdom van Westfalen bestaat in zijn delfstoffen, vooral steenkool en ijzererts. Verder wordt er kwikzilver, antimonium, zout, gips, kalksteen en bouwsteen, marmer, leisteen, pottebakkersklei enz. gewonnen, Van de minerale bronnen zijn die te öynhausen, Lippspringe, Driburg en Schwelm het meest bekend. Behalve landbouw en mijnbouw bloeit ook de nijverheid. De voornaamste fabricaten zijn voorwerpen van ijzer, staal, messing, brons, tin, Britanniametaal enz., linnen en katoenen stoffen en goederen, papier, glas, leer enz. De handel bestaat voornamelijk in uitvoer van linnen en katoenen goederen en produkten van het land, als steenkool, ijzer, hout, ham, worst enz. Het verkeer wordt bevorderd door bevaarbare rivieren, goede wegen en talrijke spoorwegen. In 1908 bedroeg de lengte van de gewone spoorwegen 3184 km., van de kleinere spoorwegen en tramwegen 847 km.

Westfalen bezit een universiteit te Munster, verder een aantal gymnasia, progymnasia en hoogere burgerscholen, 2 landbouwscholen, 12 kweekscholen voor onderwijzers, 4 voor onderwijzeressen en een aantal andere inrichtingen van onderwijs. Het gewest is in de distrikten Munster met 12, Minden met 11 en Arnsberg met 27 arrondissementen verdeeld. Het zendt 17 leden naar den Duitschen Rijksdag en 31 leden naar het Pruisisch Huis van Afgevaardigden. Het wapen van de provincie is een springend zilveren paard op een rood schild. De landskieuren zijn wit en rood.

West-Friesland is de streek in N. Holland, die in het N.; O. en Z. aan de Zuiderzee grenst en verder wordt ingesloten door Kennemerland. Het vormde in den Frankischen tijd een afzonderlijk graafschap, dat in 1064 voor 't eerst wordt vermeld. Eerst na eeuwen langen strijd gelukte het aan de Hollandsche graven om het gewest aan hun gezag te onderwerpen, in welken strijd twee graven, Aernout en Willem II, het leven verloren. Duurzaam werd de onderwerping eerst nadat de West-Friezen door de uitbreiding der Zuiderzee van hun stamgenooten in het eigenlijke Friesland meer gescheiden werden. Zie verder Noord-Holland.

West Ghats, een gedeelte van de Ghats, het ketengebergte, dat zich langs de O. en W. kust van Voor-Indië uitstrekt en daardoor het hoogland Dekkan insluit, wordt in het N. door de dalen van de Narbada en de Tapti van het W. lijk einde van de Windhyaketen gescheiden. Het gebergte, in het N. lijk gedeelte Sahyadri geheeten, loopt op gerin: gen afstand van de kust. Naar het Z. toe wordt het - hooger en bereikt tusschen den 18den en den 19aen breedtegraad in den Parandhar een hoogte van 1360, in den Singhar van 1265, in den Haritsjandragarh

Sluiten