Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pruisen. De Oostzee heeft aan de kust een inham, de Baai van Danzig geheeten, die door het schiereiland Hela de Putziger Wiek vormt. Hiertoe behoort ook het zuidwestelijke gedeelte van het Frische Haff en van de Frische Nehrung. De voornaamste rivier is de Weichsel, die zich bij deMontaner Spits in de Weichsel en de Nogat, en bij het Danziger Hooid in de Danziger en Elbinger Weichsel verdeelt. Op den rechter oever ontvangt de Weichsel in deze provincie de Drewenz en de Ossa, op den linker oever het Schwarzwasser, de Montau, de Ferse en de Mottlau met de Radaune. Van de overige rivieren noemen wij: de Liebe (Oude Nogat), welke in de Nogat, de Elbing, welke in het Frische Haff en de Rheda, welke in de Putziger Wiek uitmondt; verder de Leba eu de Stolpe, welke in Pommeren naar de Oostzee stroomen, de Küddow, welke u*t Pommeren komt en z'ch zuidwaarts naar de Netze (in Posen) begeeft, en de Brahe, die in Posen in de Weichsel uitmondt. Het Elbing-Oberlandsche Kanaal behoort door twee met dit kanaal verbonden meren tot WestPruisen. Het aantal meren is aanzienlijk; de voornaamste zijn: het Drausen - en Geserichmeer, die tot het Elbing-Oberlandsche Kanaal behooren, het Sorgenmeer bij Riesenburg, het Zarnowitzer Meer op de grenzen van Pommeren, het Radaunemeer, het Weitmeer aan het Schwarzwasser, het GroszZiethener en Müskendorfer Meer aan de Brahe en het Grosz Böttinmeer ten westen van DeutschKrone. Het klimaat is gezond, maar op den landrug guur. De gemiddelde warmte bedraagt 5, 7— 7,6° C., de jaarlijksche regenhoeveelheid bedraagt 600 mm.

De geheele oppervlakte bestaat uit 55,6% bouwland en tuinen, 6,4% hooiland, 6,5% weiland en 21,7% bosch. In de polders der Weichseldelta wordt veel tarwe verbouwd, elders in de provincie veel rogge en aardappelen; ook bloeien in genoemde polders ooft- en tuinbouw. In de hooger gelegen gedeelten der Weichseldelta heeft men in den laatsten tijd den bouw van suikerbieten ingevoerd. Veel minder vruchtbaar zijn de arrondissementen Schlochau, Konitz, Berent en Karthaus. De aanzienlijkste bosschen vindt men aan de Brahe en aan het Schwarzwasser en in het arrondissement Deutsch Krone. In 1909 leverde de oogst in tonnen:

Rogge 596237

Tarwe ; 156573

Gerst 155995

Haver 299824

Hooi 508270

Aardappelen 2844045

Ook werd er 1 444184 kg. tabak met een waarde van 666 059 mark geoogst.

De veestapel bestond in 1907 uit:

Paarden 254§12

Runderen 715627

Schapen 496646

Varkens 907227

Geiten 106175

De paardenfokkerij wordt bevorderd door de stoeterij te Mariënwerder. Het edelhert komt er niet dikwijls voor, minder zeldzaam zijn reeën, hazen en vossen, terwijl men nog wolven aantreft op de Tuchelscbe Heide. Van belang is ook de teelt van gevogelte en de visscherij. Het delfstoffenrijk levert barnsteen, turf, leem en bruinkolen. Het aantal

inwoners bedraagt (1907) 1 630 240, van welke ongeveer de helft tot het R. Katholieke en de andere helft tot de Protestantsche kerkgenootschappen behooren. De meeste inwoners zijn Duitschers; ook vindt men er een aantal Polen, Masoeren en Kassoeben. Do voornaamste bronnen van bestaan zijn landbouw en veeteelt, handel, scheepvaart en scheepsbouw; de fabrieksnijverheid is slechts op enkele plaatsen va i belang, zoo te Danzig,;Elbing, Dirschau en Thorn. De handel is vooral in de zeesteden Danzig en Elbing ontwikkeld. In 1910 telden de reederijen 93 zeeschepen met een inhoud van 15 619 registerton, waarbij 40 stoomschepen van 14 057 registerton, die bijna alle te Danzig te huis behoorden. Het binnenlandsch verkeer wordt bevorderd door bevaarbare rivieren, goede wegen en spoorwegen. In 1908 bedroeg de lengte van de gewone spoorwegen 2126,8 km., van de tramlijnen 63,9 km., van de kleine spoorwegen 523,5 km. Tot de inrichtingen van onderwijs behooren: een technische hoogeschool, 14 gymnasia, een aantal hoogere burgerscholen en andere inrichtingen van middelbaar onderwijs, een landbouwschool, 11 kweekscholen van onderwijzers, een instituut voor blinden, 3 voor doofstommen enz. De hoofdstad is Danzig; de provincie is in twee distrikten verdeeld n. 1. Danzig met 12 en Marienwerder met 17 arrondissementen. Men heeft er 5 landgerechten en een opperlandgerecht te Marienwerder. De provincie zendt 13 afgevaardigden naar den Duitschen Rijksdag en 22 naar de Pruisische Tweede Kamer. Bij den Tweeden Vrede van Thorn in 1466 kwam een gedeelte van het gebied van de Duitsche Orde (zie aldaar) onder de souvereiniteit van Polen. Dit gedeelte kreeg den naam van West-Pruisen, terwijl het Duitsch blijvende gedeelte Oost-Pruisen werd genoemd. De Standen, door wier verraad de Orde de nederlaag had geleden, genoten belangrijke privilegiën, vooral Danzig. Inmiddels zocht men de landelijke bevolking en den kleinen adel zooveel mogelijk Poolsch te maken, terwijl men de Hervorming tegenging. De steeds toenemende anarchie in het Poolsche rijk deed ook in West-Pruisen haar noodlottigen invloed gevoelen; de landbouw, de zorg voor de wegen en het onderwijs werden verwaarloosd. Alleen in de steden bleef de Duitsche beschaving bewaard, hoewel er ook van Poolsche zijde nu en dan ruwe geweldenarijen, zooals het Bloedbad van Thorn, werden gepleegd. Danzig zocht voor zijn handel zooveel mogelijk gebruik te maken van de voordeelen van het Poolsche achterland en werd een bloeiende koopstad. In het algemeen echter was in het land de welvaart, die er onder het bewind der Orde heerschte, reeds aanmerkelijk verminderd, toen het in 1772 bij de eerste verdeeling van Polen aan Pruisen werd toegewezen. Bij deze verdeeling bleven alleen Danzig en Thorn nog aan Polen toebehooren; zij kwamen echter in 1793 ook aan Pruisen, maar werden van 1807—1813 weder van dezen staat gescheiden. In 1824 werd het met Oost-Pruisen tot een provincie vereenigd. Volgens den wensch van West-Pruisen werd het, ondanks het verzet van Oost-Pruisen, in 1878 tot een zelfstandige provincie verheven.

Westreenen van Tiellandt, Willem Hendrik Jacob, baron van, een Nederlandsch geschied- en oudheidkundige, geboren te 's Gravenhage den 2den October 1783, was bestemd voor de

Sluiten