Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diplomatieke loopbaan, werd door de omwenteling van 1797 in zijn plannen belemmerd en wijdde zich toen aan de beoefening der letteren en oudheidkunde. In 1804 schreef hij: ,,'s-Gravenhage in de XIIIde eeuw," bij de instelling van de Orde der Unie verscheen zijn: „Essai sur les anciens ordres de chevalerie" (1807), waarna koning Lodemjk hem tot historiograaf dier orde en tot adjunct-archivaris benoemde. In 1808 vervaardigde hij een catalogus van de munten en boeken, nagelaten door C. van Damme, en leverde vervolgens een „Verhandeling over de uitvinding der boekdrukkunst" (1810). Onder het bewind van Napoleon I leidde hij een ambteloos leven, in 1813 nam hij ijverig deel aan het herstel van onze onafhankelijkheid. Weldra ontving hij de Orde van den Nederlandschen Leeuw en werd gekozen tot lid der Provinciale Staten van Holland. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Recherches sur 1'ancien forum Hadriani et ses vestiges prés de la Haye" (1826), „Korte schets van den voortgang der boekdrukkunst in Nederland in de XVae en haar verdere volmaking in de XVIde en XVIIde eeuw" (1829) „Recherches sur la langue nationale de la majeure partie du royaume des PavsBas" (1830) en „Verslag der nasporingen omtrent de oorspronkelijke uitvinding en het vroegste gebruik der stereotypische drukwijs" (1833). In 1815 werd hij thesaurier en chartermeester, in 1831 lid van den Hoogen Raad van Adel, in 1829 raad en in 1832 directeur der Koninklijke Bibliotheek en in 1836 staatsraad in buitengewonen dienst. Hij overleed in 1848. Hij had in navolging van zijn bloedverwant mr. Joh. Meerman een groote boekverzameling aangelegd met kostbare handschriften en zeldzame drukwerken, munten en oudheden. Hij had haar uit de bibliotheek van Meerman met belangrijke boeken verrijkt. Volgens zijn uitersten wil werd zij na zijn dood in haar geheel het eigendom van den Staat, zij is onder den naam van Museum Meermanno Westreenianum geplaatst op de Prinsessengracht te 's Gravenhage in het vroeger door hem bewoonde gebouw.

Westrheene, Tobias van, een Nederlandsch letterkundige, geboren te ' t Hof van Delft den 26stel September 1825, ontving zijn eerste opleiding te 's Gravenhage en was van zijn 19de tot zijn 248le jaar werkzaam in het atelier van den schilder W. H. Schmidt. In 1850 vertrok hij van Delft naar 's Gravenhage, kwam er in kennis met S. J. van den Bergh en andere letterkundigen en plaatste in 1851 zijn uitgebreid verhaal: „Helena Raven" in het tijdschrift „Nederland". Daarna schreef hij de romans: „Gelofte en trouw" (1852) en „Levensrichting" (1854). Na zijn huwelijk met de schrijfster Jacoba van Heyningen (1857) wijdde hij zich uitsluitend aan letterkundigen arbeid. Hij redigeerde de „Kunstkroniek", „Flora, tijdschrift voor Dames", „Lectuur voor de huiskamer" en gedurende anderhalf jaar ook het tijdschrift „Nederland". In 1854 belastte hij zich met het schrijven van een werk over den Krimoorlog, welke taak hij echter weldra overdeed aan lsing. In 1858 bezorgde hij de uitgave van het „Scheffer-album". In 1859 vestigde hij zich te Rotterdam en droeg de voltooiing der bijschriften van het „Album der Residentie" eveneens op aan zijn vriend lsing. Ook behoorde hij eenigen tijd tot de redactie van den „Tijdstroom". Te Rotterdam was hij werkzaam aan de oude „Rotter-

damsche Courant". Hij keerde in October 1861 naar 's Gravenhage terug, waar hij tot 1863 geplaatst bleef aan het „Dagblad van 's Gravenhage", daarna aan den „Standaard" en het „Rotterdamsch Weekblad", terwijl hij medewerkte aan de „Middelburgsche Courant" en in 1869 optrad als mederedacteur van „Het Vaderland." In 1862 verscheen zijn roman: „Hoe 't in de wereld gaat". Inmiddels plaatste hij romantische verhalen in tijdschriften, zooals: „Meilans" in het „Nederlandsch Magazijn", schreef de brochure: „Een woord over kunst en kunstbescherming in Nederland" (1855), was vanl857— 1876 belast met de beoordeeling van tentoongestelde schilderijen voor de „Kunstkroniek" en van 1856 —1859 tevens voor de „Algemeene Konst- en Letterbode", In 1856 verscheen zijn „Jan Steen, étude sur 1'art en Hollande" en in 1867: „Paulus Potter, sa vie et ses oeuvres". Hij leverde levensbeschrijvingen in „Nagler's Küistlerlexicon" en volbracht in 1868 een reis naar Engeland, welke hem aanleiding gaf tot het schrijven van een stadie over Engelsche kunst, opgenomen in het tijdschrift „De Gids". Met Withuys stichtte hij te 's-Gravenhage de rederijkerskamer „De Nieuwe Korenbloem", was in 1868 secretaris van het Tiende taal- en letterkundig Congres te 's-Grave.'hage, werd er bestuurder, later eerelid van „Oefening kweekt kennis", was lid van de Maatscliappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van de Gentsche Maatschappij „De taal is gansch het volk", en overleed den 4dcn October 1872,

Westrheene, Jacoba van, geboren Van Heyningen, de echtgenoote van den voorgaande, werd geboren in 1821 en trad in 1857 met Tobias van Westhreene in het huwelijk. Zij vertaalde een aantal werken uit het Engelsch, gaf een verkorte uitgave van „Willem Leevend" van Wolf en Deken in het licht en schreef o. a. „De jeugd van dokter De Noor" (1869), „De Oudvelders" (2 dln., 1875, onder het pseudoniem Hester Wene), „Benijd en beklaagd" (1879), „Oud en jong" (2 dln., 1883) en „Ver van den stam" (1888).

Westrin, Theodor, een Zweedsch geschiedkundige en lexicograaf, geboren den 12den Januari 1850 te Stockholm, werd in 1876 beambte aan het rijksarchief aldaar en gaf in opdracht daarvan sedert 1890 verschillende catalogi van oorkonden en in 1902 een ander omtrent de belangrijkste neutraliteitsverdragen enz. van Zweden uit. Ook publiceerde hij in het „Historisk Tidskrift" een aantal bijdragen, waaronder: „Görtz' bref ur fangelset i Arnhem 1717"(1898), „Anteckningar om Karl XII orientaliska kreditorer" (1900) en „Om Czestochowa Idosters belagring of Karl X. Gustafs trapper 1655" (1904). Zeer bekend maakte hij zich ook als mede-, later hoofdredacteur van het „Nordisk Familjebok" (2de druk, Stockholm, 20 dln., 1903 en later), een Noorsche encyclopaedie, waarvan de artikelen door bekende vakgeleerden geschreven en alle onderteekend zijn.

West-Romeinsche rflk is dat gedeelte van het groote Romtinsche rijk, dat bij de verdeeling van dit laatste na den dood van Theodosius den Groote (395) ten deel viel aan Honorius, Italië, Galiië, Britannië, Spanje, Afrika, Dalmatië, Noricum, Pannonië en Raetië omvatte en in 476 door Odoacer in bezit genomen werd. De laatste West-Romeinsche keizer was Romulus Augustulus. Zie Romein-

Sluiten