Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauwkeurig af te bakenen. Dikwijls heeft men dit beproefd en in het bijzonder een omschrijving trachten te vinden voor het begrip „wet" (wet in materieelen zin), zooals „rechtsregel met bindende kracht" of „maatregel, waarbij den burgers verplichtingen worden opgelegd"; uit die omschrijving leidde men dan af, dat rechtsregels met bindende kracht alleen konden worden vastgesteld en verplichtingen alleen konden worden opgelegd door de wetgevende macht. Deze leer is van andere zijde bestreden: men wees er eenerzijds op dat, vooral in de eerste helft der 19ae eeuw, tal van rechtsregels niet zijn gegeven bij de wet, maar bij Koninklijk besluit, anderzijds dat onze Grondwet voor verschillende onderwerpen regeling bij de wet eischt, zonder dat er sprake is van rechtsregelen of van het opleggen van verplichtingen ; zoo wordt bijv. de Staatsbegrooting elk jaar bij de wet vastgesteld en is voor elke naturalisatie een wet noodig. Om deze redenen meende men, dat ons Staatsrecht geen materieel, maar alleen een formeel wetsbegrip kent en dat men wet niet anders kan omschrijven dan als „wilsuiting van de wetgevende macht." Hoe men ook over deze staatsrechtelijke vraag moge denken, tegenwoordig is men het er over eens, dat belangrijke onderwerpen van Staatsbestuur wettelijke regeling behooren te hebben en niet bij Koninklijk besluit geregeld behooren te worden. De Grondwet eischt voor een groot aantal regelingen een wet en beperkt bovendien 's Konings bevoegdheid tot het vaststellen van algemeene maatregelen van bestuur (zie besluiten).

De wetgevende macht wordt volgens art. 109 onzer Grondwet gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend. Het voorstel kan uitgaan óf van den Koning öf van de Tweede Kamer (zie initiatief). Over elk wetsontwerp moet het advies van den Raad van State worden ingewonnen; gaat het voorstel van den Koning uit, dan geschiedt dit voordat het bij de Tweede Kamer wordt ingediend; wordt het initiatief door de Tweede Kamer genomen, dan geeft de Raad van State advies, nadat beide Kamers het ontwerp hebben aangenomen. Voordat het ontwerp wordt ingediend bij den Raad van State, wordt het aanhangig gemaakt bij den Ministerraad en als de Raad van State belangrijke aanmerkingen en bezwaren oppert, geschiedt dit nogmaals, ten ware de spoed, dien de behandeling mocht vereischen, nader overleg in den Raad van Ministers niet toelaat (zie minister). Nadat de Ministerraad en de Raad van State zijn geraadpleegd, dient de Koning het ontwerp in bij de Tweede Kamer bij een schriftelijke boodschap of door een commissie. De Grondwet schrijft voor, dat aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings altijd een onderzoek van dat voorstel voorafgaat; de Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze waarop dit onderzoek zal worden ingesteld. Het onderzoek geschiedt door niet-openbare beraadslaging in 5 afdeelingen, waarin de Kamer gesplitst is en die om de 2 maanden door loting worden vernieuwd. Elke afdeeling kiest een Voorzitter en een tweede* Voorzitter. De Voorzitters der afdeelingen vormen te zamen de Centrale Afdeeling onder voorzitterschap van den Voorzitter der Kamer; deze afdeeling is belast met de regeling der volgorde waarin de aanhangige voorstellen zullen worden overwogen. De Kamer verzendt elk ingekomen wetsontwerp hetzij rechtstreeks naar de af¬

deelingen, hetzij naar een Commissie van Voorbereiding, hetzij naar een vaste Commissie, hetzij naar een begrootingscommissie. Bij rechtstreeksche verzending naar de afdeelingen wijst elke afdeeling voor ieder wetsvoorstel een harer leden aan als rapporteur en stellen deörapporteurs,vereenigd tot een Commissie, een verslag opvanhetverhandelde.Bij ontwerpen van eenige beteekenis wordt niet terstond het eindverslag opgemaakt,maareerst een voorloopig verslag, hetwelk wordt openbaar gemaakt en aan den minister medegedeeld, die de daarin gemaakte opmerkingen beantwoordt in een Memorie van Antwoord, in vele gevallen vergezeld van een gewijzigd ontwerp. Zijn de wijzigingen ingrijpend, dan kan dit aanleiding geven tot een nieuw afdeelingsonderzoek, maar meestal blijft dit achterwege en verklaart de Commissie van Rapporteurs in haar eindverslag het ontwerp rijp voor openbare behandeling. Verwijzing naar een Commissie van Voorbereiding geschiedt bij ontwerpen, die belangrijk zijn en speciale deskundigheid eischen. Deze Commissie bestaat uit 5 leden, gekozen door de Kamer, tenzij deze de keuze aan den Voorzitter overlaat. De Voorzitter verdeelt de leden der Commissie over de Afdeelingen, alwaar zij als rapporteurs fungeeren. De Commissie stelt zoo noodig ten behoeve van de beraadslaging in de afdeelingen vóór het onderzoek een leiddraad vast. Ter bijwoning van de vergaderingen der Commissie kan elke groep van 6 Kamerleden uit haar midden een bijzitter aanwijzen. De Commissie van Voorbereiding geeft in 't algemeen meer leiding aan de behandeling dan een gewone Commissie van rapporteurs: zij pleegt overleg met de regeering en deelt in haar verslag ook haar eigen gevoelen mede. Het verslag wordt eerst gepubliceerd, nadat het geheele onderzoek is afgeloopen en behelst het geheele resultaat van het onderzoek, ook het antwoord der Regeering. Hetgeen van de Commissie van Voorbereiding geldt, geldt ook van de vaste Commissie die de Kamer voor den duur van een zitting kan benoemen voor het onderzoek van tot zekere groep van onderwerpen behoorende wetsontwerpen. Wat eindelijk de begrootingscommissiën betreft, jaarlijks worden voor de wetsontwerpen tot vaststelling van de koloniale en Staatsbegrootingen door den Voorzitter 60 leden aangewezen om op te treden als leden van 10 begrootingscommissiën voor de verschillende onderdeelen der begrooting. De werkkring dezer commissiën verschilt niet van dien der gewone commissiën van rapporteurs. Nadat het onderzoek van het wetsontwerp is afgeloopen, geschiedt de behandeling in openbare vergadering. Eerst worden algemeene beschouwingen gevoerd, daarna elk artikel afzonderlijk behandeld en ten slotte heeft plaats de eindstemming over het geheele ontwerp. De Tweede Kamer heeft het recht regeeringsontwerpen te wijzigen, het recht van amendement. Elk lid kan amendementen voorsteEen, maar wijzigingsvoorstellen, niet van de Commissie van rapporteurs of een der andere genoemde Commissiën uitgaande, moeten, om een onderwerp van beraadslaging uit te maken, door ten minste 5 leden worden ondersteund. Is een ontwerp door amendementen belangrijk gewijzigd, dan wordt de eindstemming meestal uitgesteld tot een nader te bepalen dag. Nadat de Tweede Kamer het ontwerp heeft aangenomen, wordt het met een bij de Grondwet vastgesteld formulier gezonden aan de Eerste Kamer. Ook deze onderzoekt het ont-

Sluiten