Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan bewijzen, dat hij sedert den 300stel1 tot den 1808te" dag vóór de geboorte van het kind geen gemeenschap met zijn vrouw heeft kunnen hebben, kan de wettigheid van het kind worden ontkend. Dit is ook het geval, wanneer het kind geboren is 300 dagen nadat een vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft verkregen, behoudens het vermogen van de vrouw om feiten aan te voeren, dienende om te bewijzen, dat haar man wel de vader is. Is in zulk een geval het kind onwettig verklaard, dan wordt het door de verzoening van de ouders niet gewettigd. Een onwettig kind wordt door het huwelijk van den -man en de vrouw gewettigd, wanneer beide voor het aangaan van het huwelijk bet kind wettig hebben erkend.

Wettin, een Duitsch geslacht, is het stamhuis van alle thans regeerende Saksische vorstenhuizen. De oude graven von Wettin ontleenden hun naam aan den burcht Wettin. Als stamvader geldt Teti (Dadi), graaf in de Hosgau aan de Saaie, die omstreeks het jaar 960 leefde en vermoedelijk afkomstig was uit Zwaben. Zijn zoon Diederik (de tribu Buzici) viel onder Otto IÏ in 982 in Calabrië. Van de zonen van dezen verkreeg Dedo Cf 1009) den burcht Zörbig en een graafschap in de Hosgau en Frederik het graafschap Eilenburg, dat na zijn kinderloos overlijden (1017) ten deel viel aan Diederik II (f 1034), den zoon van Dedn. Van de zes zonen van Diederik II is Dedo II,markgraaf van de Oostmarlc en bestuurder van de mark Meiszen, de belangrijkste. Hij vervulde een belangrijke rol in de oorlogen onder Hendrik IV. Hij werd in 1075 opgevolgd door zijn zoon Hendrik den Oudere -van Eilenburg, die van Hendrik IV de Lausitz en in 1088 de mark Meiszen verwierf. Zijn zoon Hendrik de Jongere van Eilenburg regeerde sedert 1103 onder voogdijschap van zijn moeder Geeriruida, de schoonmoeder van keizer Lotharius, en had steeds aanvallen te verduren van zijn neef Koenraad, graaf von Wettin. Toen hij in 1123 door vergif stierf, maakte Koenraad zich meester van de mark Meiszen, terwijl het overig gedeelte van de oude Oostmark aan Albrecht den Beer en de Lausitz in 1131 aan Hendrik van Groitzsch ten deel v'el. Na den dood van laatstgenoemde in 1135 werd Koenraad ook erfgenaam van diens land. Zie verder Meiszen, Thüringen en Saksen.

Wet van Dulong- en Fetit. Zie Soortelijke warmte.

Wetzlar, een plaats in het Pruisische distrikt Koblenz, gelegen aan de samenvloeiing van de Lahn en den Dill, is een kruispunt van de spoorwegen Keulen—Gieszen en Koblenz—Gieszen. Het bezit 4 Protestantsche en een R. Katholieke kerk, benevens een synagoge. Merkwaardig is de domkerk (12de—15ae eeuw), welke den overgang van den Romaanschen in den Gotischen stijl doet zien en waarvan het koor voor den Protestantschen en het schip voor den R. Katholieken eeredienst gebezigd wordt. Verder bezit het een gymnasium, een seminarium voor onderwijzers, een landbouwwinter- en een mijnbouwschool, ijzergieterijen (2200 arbeiders) machine-, cement-, drijfriemen- en handschoenenfabrieken, 3 fabrieken voor optische instrumenten, wolspinnerijen, leerlooierijen, bierbrouwerijen enz. De plaats telt (1905) 12 276 inwoners. In de nabijheid bevinden zich ijzermijnen, kalk- en marmergroeven, alsmede het schilderachtig gelegen kloos¬

ter Alten berg en de Stoppelberg (402 m.) met uitkijktoren. Aan Goethe's leven herinnert de „Wertherbrunnen" in de Pfaffengasse, vóór het ouderlijk huis van Lotte. Wetzlar werd in de 12ie eeuw een vrije rijksstad, kwam later onder de beschermheerschappij van Nassau en in 1636 van Hessen-Darmstadt. In 1689 werd het Rijkskamergerecht van Spiers naar hier overgebracht en bleef er tot aan de ontbinding van het Duitsche rijk in 1806. In 1815 kwam het aan Pruisen en werd bij de Rijnprovincie gevoegd. Den 15"6» Juni 1796 streden hier de Oostenrijkers en Saksers onder aartshertog Karei tegen de Franschen onder Jourdan. Deze moest bij Neuwied terugtrekken over den Rijn. Aan deze overwinning herinnert een gedenkteeken, in 1846 op het slagveld opgericht. Hier te Wetzlar schreef Goethe in 1772 de „Leiden des jungen Werther."

Wetzstein, Johann Gottfried, een Duitsch oriëntalist en ontdekkingsreiziger, geboren den 19den Februari 1815 te ölsnitz, studeerde te Leipzig in de godgeleerdheid en de Oostersche talen, vestigde zicli in 1846 als privaatdocent in het Arabisch te Berlijn en was van 1848—1862 Pruisisch consul te Damascus. In 1861 bracht hij den vrede tot stand tusschen de Turksche regeering en de Droezen van het Haurangebergte; in 1858 begon hij met het onderzoek van dit laatste. Van zijn hand verschenen „Arabisch persisches Lexikon" (1844—1850), „Reisebericht über ITauran und die Trachonen" (1860),• „Griechische und lateinische Inschriften aus der Trachonitis" (1864) en „Sprachliches aus den Zeltlagern der Syrischen Wüste" (1868). Hij overleed den 18den Januari 1905 te Berlijn.

Weule, Iiarl, een Duitsch aardrijks- en volkenkundige, geboren den 29steD Februari 1864 te AltWallmoden, studeerde te Göttingen, Berlijn en Leipzig in de aardrijkskunde en de natuurwetenschappen, werd in 1893 beambte aan het koninklijk museum voor Volkenkunde te Berlijn en ging in 1899 over naar dat te Leipzig, waar hij zich tevens vestigde als privaatdocent in de aardrijks- en volkenkunde. In 1901 werd hij aldaar hoogleeraar en in 1907 directeur van het museum voor Volkenkunde; in 1906 deed hij een onderzoekingstocht door het Z.lijk gedeelte van Duitsch O. Afrika. Van zijn hand verschenen: „Beitrage zur Morphologie dër Flachküsten" (1891), „Die Eidechse als Ornament in Afrika" (1896), „Der afrikanische Pfeil" (1899), „Völkerkunde und Urgeschichte im 20. Jahrhundert" (1902) en „Geschichte der Erdkenntnis und der geographischen Forschung" (1904). Verder schreef hij eenige hoofdstukken in HelmolCs „Weltgeschichte" (1899—1905), o. a. over de geschiedkundige beteekenis van den Grooten, den Indischen en den Atlantischen Oceaan en van de Oostzee.

Weven (zie de platen) is de bewerking, waardoor gesponnen draden en andere draadvormige stoffen, zoo als paardehaar, stroo, houtvezels, metaaldraad enz., zoodanig met elkander worden verbonden, dat er een samenhangend geheel {weefselstof of goed) van geringe dikte door ontstaat. Onder eigenlijk weven verstaat men het vervaardigen van weefsels, waarvan de draden elkander rechthoekig kruisen, in meer uitgebreiden zin behooren ook het vlechten, d.w.z. het vervaardigen van weefsels, waarvan de draden elkander scheefhoekig kruisen of door knoopvorming worden verbonden, en het breien,

Sluiten