Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d. w. z. het vervaardigen van stoffen uit één enkelen draad tot het weven (zie Vlechtwerk, Breien en Breimachines). De meeste weefsels hebben bij een betrekkelijk aanzienlijke lengte (20—50 m.) een gegeringe breedte (1/2—2 m.). De draden, die evenwijdig loopen aan de lengte noemt men ketting- of scheringdraden, die welke evenwijdig loopen aan de breedte inslag- of scheutdraden. De ketting- en inslagdraden worden op verschillende manieren onder en over elkander heen gelegd. Daardoor is de lengte en breedte van het geheele weefsel geringer dan van eiken lengte- en breedtedraad afzonderlijk. Het verschil tusschen de lengte van de stof en van een lengtedraad noemt men inweving in de lengte, dat tusschen de breedte van de stof en een breedtedraad inweving in de breedte. De scheringdraden aan de kanten hebben door het inweven in de breedte meer te lijden, dan die in het midden, waarom men de eerste meestal sterker maakt. De daardoor gevormde randen noemt men zelfkant of eg. Gewoonlijk vormen de inslagdraden aan de kanten lusjes. Al naar gelang van de wijze, waarop de schering- en inslagdraden over elkander heen liggen, onderscheidt men verschillende soorten weefsels. Bij slicht, e f f e n of p 1 a t goed ligt de helft van de scheringdraden onder, de andere helft boven de inslagdraden ; bij gekeperd goed of keper treden ketting- en inslagdraden beurtelings te voorschijn, waardoor zij schuin over het goed loopende lijnen of ribben doen ontstaan; bij gesatineerd goed of s a t ij n laat men ketting en inslag elkander zoo kruisenL dat aan den rechten kant daarvan weinig is te zien; het zoogenaamd klein gefigureerd goed vertoont verschillende figuurtjes, waarnaar men het onderscheidt in o o g j e s-, w a f e 11 j e s-, gerstekorrel-, blokjesgoed enz.; stoffen met groote^ figuren noemt men gefigureerd goe d of jacquard. Ook geeft men door bijzondere bewerkingen nog wel een geheel ander voorkomen aan de weefsels, zooals bijv. het geval is bij fluweel, pluche, velvetine, cords, gaas, enz.

Het garen, waarvan een weefsel wordt vervaardigd, is meestal niet zoodanig opgewonden, dat het onmiddellijk voor het weven geschikt is; het wordt gewoonlijk weder afgehaspeld en daarna op grootere of kleinere klossen gewonden. Deze bewerking noemt men spoelen. Voor het kettinggaren heeft men gewoonlijk houten of papieren scheerklossen, waarop een groote hoeveelheid garen kan worden gewonden; de inslag wordt op kleine klossen of op pijpjes gewikkeld. In kleine handweverijen gebruikt men nog handspoelraderen, in grootere inrichtingen heeft men voor deze bewerkingen algemeen machines. ' Wanneer het kettinggaren op de scheerklossen I is gespoeld, neemt het aanslaan of scheren van den < ketting een aanvang, d. w. z. er worden zooveel dra- < den naast elkander gelegd, als er in de breedte van i de stof zullen voorkomen, Met het oog op het inwe- \ ven wordt de lengte van de scheringdraden iets < grooter genomen dan de lengte van het weefsel zal c bedragen. Van groot belang voor de deugdelijkheid ï en gelijkmatigheid van het weefsel is het, dat de e dratien in een zekere orde worden vereenigd, dat ze i even lang zijn en met gelijke kracht worden ge- 1 spannen. Het scheren heeft op verschillende wijzen r plaats; dikwijls gebruikt men daarvoor een scheer- d raam, zooals in figuur 1 pl. II is afgebeeld. Dit bestaat o in hoofdzaak uit een haspel, die door het omdraaien l XVI

van de knik h, welke door een snoer om de schijven o en g met de hoofdas f is verbonden, in beweging wordt gebracht, en een scheerlat of scheerrek r, waarin de scheerklossen meest 12 tot 60, ook wel meer zijn geplaatst. De draden loopen van de scheerklossen door een dubbel roosterwerk, dat in den schuifbak of schrifklos s is geplaatst, en wel zóó, dat de even draden door den rooster y en de oneven door den rooster z of omgekeerd loopen. De beide roosters kunnen ieder afzonderlijk worden opgelicht. Na het verlaten van het roosterwerk komen alle draden naast elkander te liggen en worden zoo op den haspel geleid. Als men het scheren van den ketting begint, vereenigt men de door de roosters geleide draden door een knoop en legt ze bij b zoodanig om de pennen 1, 2 en 3, dat de oneven en even draden elkander kruisen. Daarna wordt de haspel omgedraaid, _ terwijl tegelijkertijd de schuifklos s zich door middel van het touw k langzaam in de sponning t van den stijl n naar beneden beweegt, waardoor de windingen in schroefvormige gangen om den haspel worden gelegd. Is men bij het opwinden bij de voetpennen 4 en 6 gekomen, dan vat men de draden bijeen, legt ze zoodanig om pen 4 en 5, dat het kruis niet verloren gaat en brengt den haspel door het omdraaien van de kruk in een tegengestelde beweging. Wanneer men zoo terugdraaiende weder bij de bovenste pennen is gekomen, wordt het kruis opnieuw gelegd en de haspel weder in de eerste richting gedraaid. Elke winding van boven naar beneden en terug noemt men een ^anj. De lengte van een gang is gelijk aan de lengte van een kettingdraad; door het aantal gangen wordt meestal het aantal kettingdraden, dus de breedte van de stof aangegeven. Heeft men bijv. 40 klossen en maakt men 80 gangen, dan is het aantal kettingdraden 3200. Is het scheren afgeloopen, dan knoopt men op dé plaatsen, waar de pennen staan, door middel van bindtouw de draden bij elkander, zoodat het kruis niet verloren gaat, en neemt daarna de ketting van den haspel. Voor kleinere bedrijven gebruikt men in plaats van genoemd scheerraam dikwijls een zoogenaamd zwaairaam, dat uit twee loodrechte stijlen bestaat, die van horizontale pennen zijn voorzien, waarom de ketting zigzagsgewijze wordt geslagen.' In stoomweverijen maakt men voor het aanslaan van den ketting gebruik van meer productieve werktuigen. Meestal kan het scheerrek daarvan 400—600 klossen bevatten, waarmede men in eenmaal een beaaald gedeelte van den ketting scheert. Zal de ietting bijv. 3200 draden bevatten, dan scheert nen met 400 klossen l/8 deel. Gewoonlijk wordt dit ;aren op een houten rol, den zoogenaamden scheerjoom, gewonden. In het genoemde geval heeft men i zulke scheerboomen, waarvan het garen naar den garenboom wordt geleid. Een nadeel van deze meiode is, dat het garen tweemaal moet worden gevonden eerst op de scheerboomen, daarna op den jarenboom. Dit is niet noodig bij den garenboom, lie uit een aantal schijfvormige deelen, secties gelaamd, bestaat. Op elk van deze secties wordt het aren van de klossen gewonden, waarna men ze aast elkander op een as plaatst, die dan den garenboom vormt. Aan alle scheermachines treft men inichtingen aan om de draadspanning te regelen, om e machine stop te zetten, wanneer een draad breekt f de bepaalde kettinglengte overschreden is, om de ettinglengte te meten enz.

8

Sluiten