Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vak voor het inschieten te kort wordt, de doekboom worden omgedraaid, waardoor het goed wordt opgerold; bij andere geschiedt dit ook automatisch. In plaats van een tegengestelde binding (d. w. z. een draad op, een draad neer) geeft men ook wel aan 2—4 draden gelijke binding, of werkt men met dubbele of meervoudige draden, waardoor een dichtere stof ontstaat. Zoo bestaat bij een soort taf, het zoogenaamde gros, het weefsel uit een tweedraads ketting met 2—3 inslagdraden. Geribde, gecanneleerde stoffen of ribs ontstaan, doordat men door elke lus van den kam 2 of meer kettingdraden rijgt en deze door één inslagdraad bindt, of doordat men een aantal inslagdraden in hetzelfde vak door één kettingdraad bindt.

Het weven van gekeperd goed en gewerkte stoffen vereischt meer samengestelde machines, dan het vervaardigen van effen stoffen. In de eerste plaats is het aantal kammen grooter, waardoor de kettingdraden op verschillende wijze gebonden kunnen worden. De kettingdraden, die op dezelfde wijze gebonden zullen worden, worden in één kam geregen. Het aantal kammen wordt bepaald door het aantal kettingdraden van een verschillende binding. De bindingswijze van de inslagdraden hangt af van den stand van de kammen, dus van de beweging van de treden. Het aantal treden wordt bepaald door het aantal inslagdradcn van een verschillende binding. Het aantal ketting- en inslagdraden van onderling verschillende binding noemt men rapport. t

De patronen voor een weefsel worden geteeKend op patroon- of quadrillepapier, dat door lood- tn wat^rpaslijnen in rechthoeken is verdeeld. De rechthoeken geven de draden aan. Voor de duidelijkheid teekent men eenige rapporten naast elkander. Het aantal treden in een handweefgetouw kan niet willekeurig worden vergroot, daar het trappen bij te grooten ouderlingen afstand voor den wever bezwaren oplevert. Zelden gebruikt men dan ook meer dan 16 treden, waarmede in den regel 21—15 kammen kunnen bediend worden, zoodat het rapport van het te vervaardigen weefsel hoogstens 16 inslag- en 26 kettingdraden bevat. Om nu een grooter aantal bindingswijzen te kunnen verkrijgen, dient de dobby of kam- of schachtmachine. Het aantal kammen bedraagt hiervan zelden meer dan 48, zoodat het aantal bindingen van de kettingdraden niet meer kan bedragen; de inslagdraden kunnen echter op een onbeperkt aantal wijzen worden gebonden. Bij deze machine heeft men een vierzijdig prisma, waarvan elke zijde van zooveel gaten is voorzien, als er kammen in het toestel zijn. Het prisma heeft, behalve een ronddraaiende, een heen en weei^aande beweging, waardoor het telkens in de nabijheid van een aantal naalden gebracht en i daarvan weer verwijderd wordt. Elke naald is ver- ; bonden aan een haak of platine, waaraan een kam is i opgehangen. Wanneer de naald verschuift, brengt i het de platine buiten het bereik van een mes, zoo- j dat de kam in rust blijft, in het tegengestelde geval s wordt de kam opgeheven. De gaten in het prisma < bewerken, dat dit niet in aanraking komt met de < naalden. Deze aanraking heeft wel plaats, wanneer 1 de gaten worden bedekt. Te dien einde nu heeft ( men het prisma omgeven door een aantal stukken s bordpapier, die een koord zonder einde vormen, f Bij elke schommeling wordt door de ronddraaiende i

1 beweging van het prisma de naar de naalden'toege-

- keerde zijde door een andere kaart bedekt. Elke . kaart is op een bepaald aantal plaatsen doorboord, . n. 1. daar, waar de beweging van de naalden niet 1 zal plaats hebben. Doordat men het aantal kaarten t oneindig groot kan nemen, is het aantal bindings• wijzen van de inslagdraden onbeperkt. Men heeft , ook dergelijke machines met dubbele platinen en ■ messen.

Do Franschman Joseph Marie Jacquard heeft een machine uitgevonden, waardoor ook het aantal kettingdraden in het rapport belangrijk kan worden

- vermeerderd, zoodat het mogelijk is geworden patronen van grooten omvang te weven. De daarmee vervaardigde weefsels noemt men Jacquardweefsels of kortweg Jacquard. Bij de Jacquardmachine worden de kettingdraden ingeregen in een afzonderlijk toestel, het zoogenaamde harnas(zie figuur 4). Evenals bij de kammen heeft men bij htt harnas lissen, oogjes of ringen (maillons) waardoor de kettingdraden worden geregen. In het ophangen van deze lissen en in de wijze van opheffing bestaat echter verschil. In het harnas heeft men gewoonlijk zooveel maillons, als er kettingdraden in het weefsel zullen voorkomen; in de teekening zijn er slechts 3 (bij c) afgebeeld; bij echt damast komen er meer kettingdraden in één maillon te liggen. Deze maillons zijn bevestigd aan de hevels a b, die gespannen worden door de loodjes d en bij a aan een dan en glad koord, arcade genaamd, zijn vastgemaakt. De arcaden loopen door de gaatjes van de harnasplank of het harnasbord e, waarvan de lengte gelijk is aan de breedte van het weefgetouw. Het aantal gaatjes in de breedte bedraagt gewoonlijk 8—20 en komt overeen met het aantal naast elkander staande platinen van de Jacquardmachine. Boven de harnasplank bevindt zich het roosterwerk g, waardoor de arcaden meest in zeer verschillende richtingen worden geleid; boven den rooster krijgen ze weer de loodrechte richting. Door de arcaden boven den rooster tot een zekere hoogte op te heffen, worden ook de maillons met de ingeregen kettingdraden opgeheven, zoodat het vak ontstaat. De arcaden worden boven het roosterwerk, enkel, of eenige tezamen aan koorden h gebonden, waarmee de opheffing van de kettingdraden geschiedt. De verbinding van de arcaden met de koorden is bij deze soort van weven van groot belang. Wij kunnen hierbij verschillende gevallen onderscheiden. Wanneer elke kettingdraad zijn eigen bindingswijze heeft (bij zeer samengestelde figuren, bijv. een landschap), wordt elke arcade aan zijn eigen koord bevestigd, zoodat iedere draad afzonderlijk kan worden opgelicht. Herhalen de figuren zich eenige malen in=de breedte, dan moeten de overeenkomstige draden gelijktijdig vak maken, waarom men deze door een gemeenschappelijk koord vereenigt. Als het weefsel uit een symmetrische figuur bestaat, kan men de arcaden paarsgewijze aan één koord verbinden, zooals in de tekstfig. 1 bij 3 en 4 is te zien. Symmetrische figuren, die zich in de breedte herhalen, hebben gemeenschappelijke koorden over de herhalingen en voor de symmetrische draden (2). Het opheffen van de koorden heeft bij de Jacquardmachine ook op een geheel andere wijze plaats dan bij de beschreven toestellen. Dit wordt duidelijk gemaakt in figuur 4. De harnaskoorden h zijn opgehangen aan de platinen c c', die als de kettingdraden in hetzelfde

Sluiten