Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vak vallen op den platinenbodem d staan. In de breedte telt men gewoonlijk 4 tot 12 rijen platinen, ten hoogste 16, in de lengte 20—80 en meer. Meestal gaat het aantal platinen niet boven de 600 in 12 rijen; zijn er meer noodig, dan plaatst men 2 zulke toestellen op den weefstoel. Voor de opheffing van de platinen dient een roosterwerk of messcnraam met de messen f, dat loodrecht op en neer kan glijden, welke beweging het door een enkele trede krijgt. Naast de platinen liggen in horizontale richting de naalden n, die aan de linkerzijde in de veerennaald m op de roeden 1, aan de rechterzijde in de gaten van het naaldenplankje g rusten.Deze naalden, waarvan het aantal overeenkomt met het aantal platinen, kunnen alleen horizontaal naar links of

Fig. 1.

Harnas.

rechte verschuiven. De verschuiving naar links geschiedt, als op de uiteinden der naalden bij r gedrukt wordt; door de veeren s springen de naalden terstond in hun oorspronkelijken stand terug, wanneer de drukking ophoudt. Elke naald is op een bepaalde plaats tot een oogje of ringetje omgebogen, waardoor een der platinen gaat. Wanneer nu een naald naar links gedrukt wordt, beweegt zich ook de platine van deze naald naar links en zoo komt het haakje van de platine buiten het bereik van de messen f, wanneer het messenraam beneden is. Wordt daarna het messenraam opgelicht, dan blijven de zijwaarts gedrukte platinen op den bodem staan (c c), de overige (c' c' c') worden door de

messen mee naar boven genomen. Doordat de messen van onderen schuin geslepen zijn, glijden zij, wanneer zij naar beneden gaan, langs de haakjes van de platinen. De drukking op de naalden wordt, evenals bij de dobbv, uitgeoefend door het vierzijdig prisma t, dat wentelen en zich heen en weer bewegen kan. Het zijwaarts schuiven van de naalden heeft hier op dezelfde wijze, met behulp van de doorboorde kaarten, plaats als bij de dobby. Bij stoffen, die in de lengte symmetrisch worden geweven, kan men met de helft van de kaarten volstaan, die voor de geheele figuur noodig zouden zijn, daar men, als de eerste helft afgeweven is, het prsma met dezelfde, kaarten in omgekeerde richting kan laten draaien. De gaten van de patroonkaarten voor het Jacquardweeftoestel moeten met de grootste zorg aangebracht worden, zoodat zij in het minst niet van de gaten van het prisma afwijken. Het aanbrengen van de gaten geschiedt met een slag- of ponsmachine.

Een bijzonder soort weefsels vormen de fluweelachtige stoffen, die zich van de overige onderscheiden door de eigenaardige ruige of haarachtige zachte bedekking van een der zijvlakken. Zij ontstaat door een aantal langere of kortere draadeinden of lusjes, die uit de eigenlijke stof (grond) naar buiten treden, en een soort bekleeding (pool, poil, floers) vormen. In hoofdzaak volgt men 2 methoden voor het vervaardigen van fluweelachtige stoffen. Bij de eene methode wordt de helft of een derde van het aantal kettingdraden veel langer genomen dan de overige; deze worden afzonderlijk geschoren, op een afzonderlijken boom gewonden en dragen den naam van poolketting. Na 2—4 inslagdraden legt men telkens een koperen roede in den sprong, waarover een gedeelte van de poolketting of de geheele poolketting heengaat, zoodat daardoor lussen worden gevormd. Bij het eigenlijk fluweel of coupé worden,"evenals bij pluche en felp deze lussen doorgesneden, bij het bastaardfluweel of frisé niet. Bij fluweel komen alle draden van de poolketting over de roede te liggen, bij pluche en felp beurtelings de eene en de andere helft. Figaur 5 en 6 (sterk vergroot) geeft een afbeelding van de doorsnede der stof, en wel ab de lengte- en ac de dwarsdoorsnede. Verder stelt g de draden van het grondweefsel, p de draden van den poolketting en i de inslagdraden voor. De lussen e liggen tusschen de inslagdraden 1 en 2, 4 en 5, 7 en 8 enz.; in de tusschenruimten is de poolketting met een deel van den grondketting verbonden. De grootte van de noppen hangt af van de dikte van de roeden of naalden; voor fluweel bedraagt hun dikte niet meer dan 0,4—0,06 mm., voor pluche zijn ze dikker, voor felp nog dikker en wel 2—4 mm.; in de tapijtweverij gebruikt men naalden van 5—8 mm. dikte. Wanneer er 2—5 naalden zijn ingeslagen, dan wordt de naald, die zich het dichtst bij den wever bevindt, uitgetrokken of uitgesneden. Het uitsnijden geschiedt met het droget m, die in een groef van de naald past. Bij de tweede methode voor het vervaardigen van fluweelachtige stoffen wordt de ketting op de gewone wijze geschoren en worden de noppen of lussen door het inslaggaren gevormd. Na een gewonen inslag worden 1—3 poolinslagdraden zoodanig ingeschoten, dat, terwijl de gewone of fondinslag in effen of keper bindt, de poolinslagen over veel kettingdraden los liggen en dus over het,door deii gewonen inslag gevormd,weef-

Sluiten