Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sel heenloopen. Daardoor ontstaan platliggende lussen n (zie figuur 7), die met het mes of de ploeg o worden opengesneden. Op deze wijze ontstaat katoenfluweel of manchester. Katoenfluweel, waarvan het floers gelijkmatig over de oppervlakte is verdeeld, heet velvet of velveteen\ vertoont het regelmatige strepen volgens de lengte van het weefsel dan noemt men het cords of Tcoordrnanchester. Het verschil is een gevolg van de verschillende bindingswijzen van de poolinslagdraden. Echt fluweel met weinig vooruitstekend, gelijkmatig pool bestaat in het floers altijd en dikwijls ook in den grond uit zijden garen; dit is ook het geval met vele soorten pluche en met felpel. Met behulp van de kammachine of het Jacquardtoestel worden somtijds figuren op fluweel aangebracht.

Van wollen garen wordt het trijp vervaardigd, dat vooral als meubelstof wordt gebruikt. Soms worden hierop figuren aangebracht door na het weven een gedeelte van het weefsel tusschen heete metalen platen of cylinders te persen, waardoor de haartjes neergedrukt worden, terwijl zij door de warmte zoodanig veranderen, dat zij zich, wanneer zij afgekoeld zijn, niet weder oprichten. Behalve de genoemde weefsels bestaan er nog een aantal andere fluweelachtige stoffen, die op verschillende wijzen worden vervaardigd. Hiertoe behooren bijv. het Smyrnasche tapijtweefsel, de axminstertapijten, het Brusselsche tapijtgoed, het Doorniksche tapijtgoed en het zoogenaamde tapestry (zie Tapijten).

Een bijzondere inrich-

fine van Vipf. wppferphnuw

o "v*bv""'

heeft men noodig voor het weven van gaas (zie aldaar). Hiervoor heeft men 2 schachten of kammen aenb (zie figuur 7) noodig, die door middel van 2 treden op de gewone wijze worden bewogen.A geeft den stand aan als a laag en b hoog staat; B den omgekeerden stand. Met de schachten zijn een aantal hevels verbonden, waarvan in de teekening slechts 2, f en g, zijn geteekend.Aan deze hevels zijn do lissen h met de loodjes 1 en m verbonden, die de hevels strak en dus de kammen naar beneden trekken. Een deel van de kettingdraden n.1. kl, die gewonden zijn op den garenboom a, is geregen door een aantal ringen, waarvan er bij o een is voorgesteld. Aan deze ringen zijn do loodjes

n door een koord verbonden, die de kettingdraden naar beneden trekken, zoodat zij den bij C afgebeelden stand innemen. Daar de garenboom onder c is gelegen, komt k1 onder k te liggen. De kettingdraden worden door de stokken e en p op hun plaats gehouden. De ringen o omvatten ook de uiteinden

van de hevels f en g. Wordt nu op de eerste trede getrapt en daardoor de kam a opgelicht, waarmede tegelijkertijd de kam b omlaag gaat, zooals in B is voorgesteld, dan trekken de hevels f den ring o en tevens de kettingdraden k1 links van k in de hoogte; hierdoor ontstaat een vak, waarin de inslagdraad s wordt ingeschoten, die met den rietkam g wordt aangeslagen. Daarna wordt de andere trede bewogen, zoodat b naar de hoogte en a naar de laagte gaat. Bij het rijzen van de kam b worden de kettingdraden kl opnieuw, nu door de hevels g, naar boven bewogen, maar thans aan de rechterzijde van k, zoodat de draden k en k' elkander omslingeren en daarna vak maken voor 't inschieten van den inslagdraad t. De kettingdraden k blijven dus steeds op hun plaats, terwijl de kettingdraden k' beurtelings rechts en links van k vak maken.

Bij al de besproken toestellen wordt een gedeelte van het werk met de hand verricht, reeds in het begin van de 19ae eeuw echter werd er een werktuig uitgevonden, waarmede het weven geheel machinaal kon geschieden. Na dien tijd is deze machine herhaaldelijk verbeterd, zoodat er thans een groot aantal vormen van stoomweeftoestellen bestaan, waarvan er slechts enkele kunnen worden besproken. In de tekstfiguur 2 is de zoogenaamde calicoloom afgebeeld. De kettingboom zendt het garen naar den sleepboom, vandaar loopt het door de kruisroeden, de kammen en het riet, waarna het^inmiddels gevormde doek langs de tempels of breed-

Fig. 2.

Stoomweefgetouw Calicoloom.

houders, over den borstboom of het hoefijzer, bijna recht naar beneden op den zand- of glasboom toeloopt. Hiervan omspant het ongeveer */4 en loopt rond, waarna het op den doekboom of omlooper wordt gewonden. De sleepboom dient om de spanning van de kettingdraden tijdens het vak maken en

Sluiten