Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor, voordat men metalen kende. Sommige voorwerpen uit het diluviale tijdperk vertoonen versieringen, die aan de textielkunst ontleend zijn. In het bronzen tijdperkvervaardigde men kledingstukken uit wol, inzonderheid ook gekeperde weefsels. Uit verschillende voorwerpen, die men in graven gevonden heeft, blijkt dat de weefkunst in Egypte reeds 2 000 jaar vóór onze jaartelling op een hoogen trap stond. Van de weefkunst uit den bloeitijd van de klassieke Oudheid is niets tot ons gekomen; orn amen ten op vazen enz. geven ons eenige voorstelling daarvan. Uit deze en uit mededeelingen in oude werken blijkt, dat de Grieken tot aan de 7de eeuw v. Chr. vele weefsels uit het Oosten lieten komen, doch de motieven daarvan zelfstandig omwerkten. De weefkunst was in het Oosten, vooral in Assvrië en Babylonië zeer ontwikkeld. Ook de Romeinen voerden vele Oostersche weefsels in; tevens maakte men, vooral in den tijd van de keizers, veel gebruik van Chineesche zijde. In de 6de eeuw treedt de Byzantijnsche weverij op den voorgrond, waartoe de invoering van de zijderupsenteelt van uit Perzië veel bijdroeg. Hier ontstonden ook, aansluitend bij de Westersche kunst, zelfstandige patronen, zooals die, welke aan de circusspelen zijn ontleend. Ook de zoogenaamde dioskurenstof uit de Servatiuskerk te Maastricht is een voortbrengsel van Byzantijnsche weefkunst. Toch hielden tot in de 12de eeuw Oostersche motieven de overhand.

In de Middeleeuwen werd van uit Spanje de Mohammedaansche weefkunst over een deel van Europa verbreid; vooral in Italië, waar de weverij weldra tot bloei kwam, had zij veel invloed. Op den bloeitijd van de Italianen volgde een tijd, waarin Spanje en de Nederlanden aan het hoofd van de weefkunst stonden, terwijl tegelijkertijd in ZuidDuitschland de linnen- en katoennijverheid bloeide. In het laatst van de 17de eeuw veroverde Frankrijk de eerste plaats in de textielnijverheid, die het tot op onzen tijd behield. Aanvankelijk stond zij sterk onder invloed van Italië en van Nederland. De 19de eeuw kenmerkte zich op het gebied van de weefkunst, evenals op elk ander gebied van de kunst, vooral door een herleving van de verschillende vroegere stijlen, totdat in het laatst van de 19de eeuw de hypermoderne richting optrad, die nog altijd in zwang is.

Wever of Alver (Alburnus lucides). Zie Karpervisschen.

Weverskaarde. Zie Eaardebol.

Wevervogels (Ploceldae Sund.), een familie der Boomvogels, zijn slank gebouwde vogels met stevigen, kegelvormigen snavel en een afgeronden staart. Zij komen in 24 geslachten en ongeveer 160 soorten voor in Z. Azië, Australië en in Z. en MiddelAfrika en bouwen meestal kunstige, zakvormige nesten. Men verdeelt de familie in 3 onderfamilies: de echte Wevervogels (Ploceelae Cab.), de Siervinken (Spcrmestinae Cab.) (zie aldaar) en de Weduwenvogels (Widavinken, Vidmnae Cab.) (zie aldaar).

De echte wevervogels zijn groote of middelmatig groote vinken met stevigen, slanken snavel, lange pooten, lange, stompe vleugels en dikwijls prachtige bevedering. Zij leven in Z. Afrika en Z. Azië en broeden verschillende malen per jaar. Hun nesten bouwen zij ten getale van 20—30 in één boom; in den broedtijd bouwen de mannetjes ook nesten voor zich alleen. In den paartijd hebben deze een

prachtig veerenkleed; de wijfjes blijven steeds grijs. In gevangenschap beginnen zij spoedig te nestelen, dikwijls ook broeden zij. Tot het geslacht der Veewevers (Textor Temm.) behoort de Buffelwever"(T'exlor erythrorhynchus Sm.) uit Z. Afrika. Hij is 24 cm. lang, zwart met wit-gezoomde vleugeldekveeren en heeft een menierooden snavel. Iets grooter is de Alektowever (Textor alecto Temm.) uit MiddelAfrika, met geelachtig-witten snavel. De Vee-wever (Textor Dinamelli Horsf.) uit Centraal-Afrika en Abessinië, is 20 cm. lang, op den kop en aan de buikzijde wit en heeft een chocoladebruinen staart en vleugels. Deze wevers leven voornamelijk op veeweiden. Zij bouwen nesten van 1—2 m. middellijn, waarin nestkamers voor 3—8 paren worden ingericht. Een broedsel bestaat uit 3 & 4 eieren. De Edelwevers (Hyphantonnis Oray) bewonen Afrika en Z. Azië. Zij bouwen op boomen groote broedkolonies van meestal ovale nesten met cirkelvormig vlieggat aan den onderkant. Tot dit geslacht behoort de Maskerwever (Hyphantornis abyssinicus Gm.), 17 cm. lang, met zwarten kop en keel, oranjebruinen hals en rug en hooggelen buik. Hij bewoont N. O. en O. Afrika, waar ook de kleinere Goudwever (Hyphantornis galbula Rüpp.) wordt aangetroffen. De Bayawever (Ploceus Baya Blyth.), uit het geslacht der Wielewaalwevers (Ploceus Cuv.), is 15 cm. lang, van boven donkerbruin en wit, van onderen vaal wit. Gezicht en voorhals zijn zwart, op den kop is hij geel. Hij leeft in Britsch-Indië, op Ceylon, Malaka en Java. Volgens de Maleische sage vindt, wie zoo gelukkig is zijn nest zonder één halmpje te breken, los te pluizen, daarin een gouden bal. Tot het geslacht der Vuurvinken (Euplectes Sws.) behoort o. a. de Oranjewever (Euplectes franciscana Isert.), die bij ons dikwijls op de vogelmarkt voorkomt. Hij is 12 cm. lang; het mannetje heeft in den paartijd een fluweelachtige bevedering, die op voorhoofd, wangen, borst en buik zwart, overigens levendig rood is. Hij bewoont de doerra van waterrijke streken in Nubië en CentraalAfrika.

Weverij. Zie Weven.

Wexford, het Z. O. lijk graafschap van de Iersche provincie Leinster, grenst in het Z. en O. aan het Kanaal van St. George, in het N. aan het graafschap Mieklow en in het W. aan Waterford, Kilkennv en Carlow en telt op een oppervlakte van 2 333 v. km. (1901) 104104 inwoners. Het grootste gedeelte van het land bestaat uit een vlakte; in het binnenland wordt deze herhaaldelijk door bergruggen onderbroken. Op den Tarahill (249 m.) moet de Temora, in Ossiaris liederen bezongen, gestaan hebben. De belangrijkste rivieren zijn de Barrow en de Slaney. In hun dalen wordt landbouw en vooral veeteelt beoefend. De nijverheid bepaalt zich tot wolweverij in het W., te Enniscorthy en New-Rosz.

Wexford, de hoofdstad van het gelijknamige Iersche graafschap, gelegen aan de monding van de Slaney in de Baai van Wexford, is door spoorwegen met Dublin en Bagenalstown verbonden. Het is de zetel van den R. Katholieken bisschop van Fern, bezit een R. Katholiek St. Peter's college, een industrieschool, scheepstimmerwerven en whiskybranderijen en telt (1901) 11164 inwoners, die de visscherij beoefenen en handel drijven in graan, vee, vleesch en boter. De Baai van Wexford, gelegen aan de open zee, wordt door een golfbreker

Sluiten