Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar boven- en middelloop des zomers veelal maanden lang slecht bruikbaar voor de scheepvaart. Het kanaal, reeds in de 18ae eeuw aangelegd, ter verbinding van de Hamme met de Oste bij Bremervörde, is sedert 1830 weder bevaarbaar gemaakt, en in 1852 is in het land van Haineln een besproeiings- en scheepvaartkanaal gegraven ter verbinding van de Wezer met de Elbe. Op den linker oever van de Wezer groef men een kanaal tusschen de Hunte en de Leda, om haar in gemeenschap te brengen met de Eems. Door het Rijn-Hannoverkanaal, dat bij Minden in aanraking met de Wezer zal komen, zal de Wezer ook met andere rivieren in verbinding worden gebracht. De scheepvaart op de Wezer werd van ouds door het stapelrecht van onderscheiden steden, door de voorrechten der schippers van Miinden, door groot bedrag der tolrechten enz. zeer belemmerd. De laatste hindernissen werden uit den weg geruimd, toen Keur-Hessen en Hannover in 1866 aan Pruisen kwamen. Van veel belang was ook het feit, dat Bremen zich in 1888 bij het tolgebied aansloot en in verband daarmede de aanleg van nieuwe havenwerken. Van 1887— 1894 werd de Beneden-Wezer van Bremen tot Bremerhaven en de Buiten-Wezer beneden Bremerhaven gecorrigeerd, waarvan de kosten 33 millioen mark bedroegen. Daardoor kunnen groote zeeschepen thans Bremen bereiken. In 1906 kwamen te Bremen stroomafwaarts 1988 geladen schepen met 299 000 ton lading aan, stroomopwaarts vertrokken van Bremen 1339 schepen met 194 000 ton lading.

Wezergebergrte is de naam van grootere en kleinere bergketens, hoogvlakten en heuvels, die zich langs den bovenloop van de Wezer, tot aan haar komst in deJNoord-Duitsche laagvlakte, op haar beide oevers verheffen en aan de eene zijde tot Brunswijk en de Pruisische provincie Hannover, aan de andere tot de Pruisische provinciën HessenNassau en Westfalen en de vorstendommen Lippe en Waldeck behooren. In het oosten door de Leine van het Göttinger Wald en van de westelijkste voorgebergten van den Harz gescheiden, in het zuiden met de hoogvlakte en de heuvelstreek van Keur-Hessen en in het zuidwesten met het gebergte van den Beneden-Rijn verbonden, strekt het Wezergebergte zich tot verin de Noord-Duitsche Laagvlakte uit. De verschillende, meestal met bosch begroeide bergketens hebben een noordwestelijke richting, haar voornaamste toppen verheffen zich nauwelijks tot een hoogte van 600 m. boven de oppervlakte der zee. Op het oostelijk terras van de Wezer heeft men van het zuiden naar het noorden het Bramwald, liet vlakke zandsteengebergte van den Solling, de Hils, de Ithberg, het Osterwald, de Nesselberg, de Süntel, de Deister, de Bückeberg, alsmede de oostelijke Wezerketen, die in den Jacobsberg boven Minden met een hoogte van 181 m. eindigt. Tegenover deze op den linker oever van de rivier verheft zich de Wittekindsberg (283 m.) en tusschen die beide vormt de Wezer ter breedte van 65 m. de Poria Weslfalica of Westfaalsche Poort. Op het westelijk terras vindt men in het N. de met den Wittekindsberg beginnende westelijke Wezerketen, die onder de namen Bergketen van Minden, Wiehengebergte, Lübbecker Bergen, Kappeler Bergen enz., zich westwaarts tot aan de bronnen van de Hunte en westnoordwestwaarts tot aan de moeras- en heidestreken aan den middelloop der Hase

uitstrekken. Het steenkolengebergte van Ibbenbüren vormt den versten uitlooper van dit bergland naar het noordwesten, terwijl het Teutoburget Woud en het Eggegebergte de grenzen vormen van het terras naar de zijde der Westfaalsche Laagvlakte. Behalve in het Bramwald en in andere gedeelten der oostelijke bergketens, waar men bazaltkegels aantreft, vindt men er nergens kris tal lijne massagesteen ten of kristallijnen leisteen aan de oppervlakte. Daarentegen zijn de vormingen van de steenkolengroep tot aan de molasse volledig vertegenwoordigd en men heeft er een verscheidenheid van laagsgewijze vormingen als nergens elders in Duitschland voorkomt. Talrijk zijn ook de zoutgroeven, vooral te Neusalzwerk bij Rehme. Van de minerale bronnen van dit gebergte noemen wij Pyrmont, Eilsen, Rehburg, Nenndorf, Oeynliausen enz. Steenkolen vindt men bij Ibbenbüren, de wealdenvorming bij Minden, aan den Deister, het Osterwald en den Bückeberg, in den Hilszandsteen bij Salzgitter enz. De grond is in het algemeen zeer vruchtbaar, zoodat de landbouw er bloeit. Waar de rivier door de bergketen een weg heeft gebaand, zooals bij de Porta Westfalica en bij Bielefeld, heeft men reeds van ouds heirwegen en in onzen tijd den spoorweg Wustermark—Hannover—Hamm aangelegd.

Whately, Richard, een Engelsch godgeleerde en staatsman, geboren te Londen den lelen Februari 1787, studeerde te Oxford en bekleedde vervolgens de betrekking van predikant. In 1830 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de volkshuishoudkunde te Oxford en in 1831 tot aartsbisschop van Dublin. In die betrekking maakte hij zich zeer verdienstelijk door zijn pogingen om vrede te stichten tusschen de Protestanten en R. Katholieken, door opbeuring van het volk en door verbetering van het onderwijs. Hij overleed te Dublin den 8"tel1 October 1863. Van zijn geschriften noemen wij: „Historie doubts relative to Napoleon Bonaparte" (1819), „The elements of logic" (1825), „Elements of rhetoric" (1825), „Errors of Romanism" (1830) en „Commonplace book", na zijn dood in het licht gegeven.

Wheately, Phillis, een Amerikaansch Negerdichteres, geboren omstreeks 1754 in Afrika, werd in 1761 op een slavenmarkt te Boston door John Wheatley, een rijk koopman, gekocht. Zij leerde spoedig Engelsch en ook Latijn, schreef reeds vóór haar 17de jaar gedichten en gaf, toen zij met de familie van haar meester Engeland bezocht, geholpen door de hertogin van Huntingdm, een bundeltje gedichten „Poems on various subjects" (nieuwe druk, 1834) uit. Te Boston teruggekeerd, huwde zij den kleurling John Peters (1778), die haar echter in het ongeluk stortte. Zij overleed den 5d"tt December

1784 te Boston. Behalve de genoemde gedichten verscheen nog van haar hand „An elegy sacred to the memory of S. Cooper" (1784). De ^Letters of Phillis Wheatley" drukte Ch. Deane af in de „Proceedings of the Massachusetts Historical Society" van 1864.

Wheaton, Henry, een Amerikaansch staatsman en schrijver, geboren den 27sten November

1785 te Providence in Rhode-Island, studeerde in de rechten, vestigde zich in 1806 als advocaat te Rhode-Island en later te New-York, waar hij in 1812 lid van de rechtbank voor zeezaken werd. Hier schreef hij zijn „Digest of law of maritime captures and prices" (1815). Sedert 1816 was hij werk-

Sluiten