Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de universiteit te Ann Arbor in Michigan. In 1863 werd hij tot lid van den Senaat van den staat New-York gekozen: in 1866 werd hij rector der Cornell-universiteit te Ithaca (New-York) en in 1878 was hij één der officiëele vertegenwoordigers der Unie bij de wereldtentoonstelling te Parijs. Van 1879—1881 was hij gezant te Berlijn, in 1891 werd hij benoemd tot hoogleeraar aan de Leiand Stanford University te Païo Alto (Californië), van 1892 —1894 was hij gezant te St. Petersburg en van 1897—1902 gezantschapsraad te Berlijn. Hij schreef o. a.: „Lectures on mediaeval and modem history" (1861), „A word from the North-West" (1863), „The plan of organisation for Cornell University" (1868), „A syllabus of lectures on modern history" (1876), „The warfare of science" (1876), „The new Germany" (1882), „Studies in general history and the history of civilisation" (1885), „European schools of history and politics" (1887), „History of the warfare of science with theology in christendom" (2 dln., 1896) en „Autobioeraphv" (2 dln., 1905).

White, sir George Stewart, een Engelsch generaal-veldmaarschalk, geboren den 6aen Juli 1835, nam in 1863 als vaandrig dienst in het leger, onderscheidde zich in 1857 in den Sepoy-opstand in Britsch-Indië en nam van 1879—1880 als majoor deel aan den veldtocht tegen de Afghanen. Van 1885—1887 voerde hij als generaal-majoor het bevel over de expeditie tegen Birma, terwijl hij in 1893, als opvolger van lord Roberts, opperbevelhebber van de Engelsche troepen in Britsch Indië werd. In 1899 benoemd tot opperbevelhebber in Natal, werd hij bij het uitbreken van den Boeren-oorlog in Ladysmith ingesloten en van den 308ten October 1899—de» 28Bten Febmari 1900 belegerd. Ten gevolge van zijn geschokte gezondheid moest hij na het ontzet naar Engeland terugkeeren, waarop hij tot gouverneur van Gibraltar en in 1903 tot gencraal-veldmaarschalk benoemd werd.

Whiteboys (Witte jongens) noemde men in Ierland de leden der onderscheiden benden, die sedert 1760 het land doorkruisten om hardvochtige verhuurders, godsdienstleeraars, ambtenaren enz. te straffen. Zij ovenielen des nachts, onkenbaar gemaakt door een zwart gemaakt gelaat en een witten kiel, hun slachtoffers, mishandelden dezen of brachten hen om het leven en verdwenen daarop even snel en geheimzinnig als zij verschenen waren. Behalve de Whiteboys had men er een paar jaar later de „Hearts of steal" (Stalen harten) of „Hearts of oak"(Eikenhouten harten), die tegen de drukkende heerediensten bij den aanleg en het onderhoud der wegen optraden. De hardvochtigheid, waarmede vele predikanten cfe tienden inzamelden, deed in 1786 den bond der „Rightboys" (Rechtvaardige jongens) ontstaan. Tot aan de stichting der Repealvereeniging door O'Connell doken dergelijke vereenigingen steeds weder op. Men personifieerde deze volksjustitie onder den naam van „Captain Rock".

wnitechapel, een wijk in het O. van Londen, gelegen op den linker Theemsoever, grenst in het W. aan de City en behoort tot de armste gedeelten van de wereldstad. Het bezit suikerraffinaderijen, ijzergieterijen, wasdoekfabrieken en kleedereonfectie en telt (1901) 33 634 inwoners, waaronder vele geïmmigreerde Joden.

Whitefield, George, één van de stichters van de secte der Methodisten, geboren den ie"6" December 1714 te Gloucester, was do zoon van een logementhouder, werd kelner en verkreeg op 18jarigen leeftijd een beurs aan de universiteit te Oxford, waar hij in de godgeleerdheid studeerde en spoedig toetrad tot de godsdienstige vereeniging der gebroeders Wesley, waaruit de secte der Methodisten ontstond. Nadat hij in 1736 de wijding ontvangen had, was hij, vooral te Oxford en te Londen, met groote toewijding voor hun zaak werkzaam. Wesley ontbood hem in 1738 naar Amerika. In het begin van 1739 keerde hij naar Engeland terug, om er gelden te verzamelen voor de stichting van een weeshuis, vertrok in hetzelfde jaar wederom naar Amerika en stichtte in 1740 het weeshuis Bethesda bij Savannah. Naar Engeland teruggekeerd, kreeg hij in 1741 verschil met Wesley over de leer der praedestinatie, welke hij onvoorwaardelijk onderschreef. Den 20stcn Maart 1741 scheidde hij zich van hem en vormde een eigen partij, die der W h itefieldianen of Particularisten. Door tusschenkomst van gravin Hunlingdon, die hij in 1748 voor zijn inzichten had weten te winnen, vond het Methodisme ingang in de voorname wereld. In 1768 stichtte zij het seminarium voor predikanten te Trevecca in Wales. Whitefield vond met zijn leer vooral aanhang in de Britsche koloniën en in Amerika. Hij overleed op zijn zevende reis naar Amerika, den 308ten September 1770, te Newbury in Massachusetts. Zijn brieven, leerredenen enz. zijn met een levensbericht van de hand van Gillbis verschenen in 7 dln. (1771—1772).

Whitehaven, een havenstad in het Engelsche graafschap' Cumberland, ligt aan de Iersche Zee en aan den Furnesspoorweg. Het bezit een schouwburg, een ziekenhuis, een bibliotheek en een zeevaartschool en telt (1901) 19 324 inwoners. Het heeft hoogovens, machine-, cement- en zeildoekfabrieken, bierbrouwerijen enz. In de nabijheid liggen de Cumberland Coalfields, waarvan de mijnen zich tot onder de zee uitstrekken, en zandsteengroeven. Van belang is ook de haringvangst en de handel, welke beschikt over een haven met vuurtoren en dokken en door forten beschermd wordt. Whitehaven is door een geregeld stoombootverkeer met Carlisle, Belfort, Douglas (op Man) en Liverpool verbonden.

Whitelocke, sir Bulstrode, een Engelsch staatsman, geboren te Londen den 2den Augustus 1605, vestigde zich aldaar als advocaat en werd in 1640 lid van het Lange Parlement, waar hij behoorde tot de partij der gematigden. Lid van den Raad van State der republiek, was hij in 1649 en van 1654-—1655 één der drie commissarissen van het grootzegel. Van 1653—1654 was hij amb.'ussadeur bij het Zweedsche hof en daarna voorzitter van de commissie, welke Cromwell moest overhalen om de kroon te aanvaarden. In 1659 werd hij opnieuw commissaris van het grootzegel. Na den val van Richard Cromwell was hij voorzitter van den Raad van State en lid van de Commissie voor algemeene veiligheid en van die voor de constitutie. Na de Restauratie trok hij zich op zijn goederen terug. Zijn voornaamste geschrift is getiteld: „MemoriaJs of the English affairs from the beginning of the reign of Charles I to the Restoration" (2de druk, 1853). Verder noemen wij „Journal of the Swedish

Sluiten