Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen en liet leven der taal. Van zijn vertalingen uit liet Sanskriet noemen wij die van de „S<lrya-Siddhinta" en van de „Atharva-Veda-Pr&ti^Skhya" in dl. 6 en 8 van het „Journal of the American 0riental Society." Onder zijn zelfstandige werken verdienen vermelding: „German grammar" (1869), ,Oriental and linguistic studies" (2 dln., 1872— 1874), „Essentials of Englisli grammar" (1877) en „Sanskrit grammar"(3de druk, 1896). Ook leverde hij bijdragen tot het „Sanskritwörterbuch" van Bohtlingk en Rotli (7 dln., 1853—1876) en schreef hij een „Ir.dex verborum to the published text of the Atharva Veda" (1881). Hij overleed den 7deB Juri 1894 te Newhaven.

Whittier, John Greenleaf, een Amerikaansch dichter, geboren den 17den December 1807 te Haverhill (Massachusetts), had, behalve den Bijbel, slechts wfinig gelezen, toen een bundel gedichten van R. Burns zijn dichterlijke gaven wekte. Een gedicht, gezonden aan de „Newburyport Free Press" bracht hem in kennis met W. LI. Garrison, die hem behulpzaam was om zijn schoolopleiding te voltooien. Nadat hij redacteur van verschillende bladen was geweest, publiceerde hij het geschrift tegen de slavernij „Justice and expedience" (1833), was daarna langen tijd secretaris van de American Anti-Slavery Society en redigeerde vanaf 1838 den „Pennsylvania Freeman". In 1840 vestigde hij zich ter wille van zijn gezondheid te Amcsbury (Massachusetts), waar bij zich uitsluitend aan letterkundig werk wijdde. Wij noemen van zijn gedichten „Legends of New England" (1831), „Molly Pitcher" (1832), „Mogg Megone" (1836), „Voices of freedom" (1849), „Songs of labour" (1851), „The chapel ef the hermits" (1853), „Home ballads" (1860), „In war-time" (1863), „Snowbound" (1866), „The tent on the beacli" (1867), „Among the hills" (1868), „Miriam and other poems" (1870), „The Pennsylvania pilgrim" (1872), „Hazel Blossoms" (1875), „The vision of Echard"(1878), „The king's missive" (1881), „Poems of nature"(1885) en „At Sundown" (1890). Van zijn werken in proza vermelden wij: „The stranger in Lowell" (1845), „Leaves from Margaret Smith's journal (1849) en „Literary recollections" (1854). Een volledige uitgave van zijn werken verscheen te Boston (7 dln., 1889). Hij overleed den 7den September 1892 te Hampton Falls (N ew-Hampshire).

Whitworth, sir Joseph, een Engelsch werktuigkundige, geboren in 1803 te Stockport, vestigde zich als fabrikant te Manchester en werd bekend als uitvinder van een verbeterde schaafmachine en van een naar hem genoemden schroefgang. Na den Krimoorlog was hij, naast Armstrong, de voornaamste mededinger in de prijsvraag naar een nieuw kanon. Ook in de staalindustrie bracht hij verbeteringen. Van zijn geschriften noemen wij: „Miscellaneous papers on mechanical subjects"(1858) en „Papers on practical subjects: guns and steel" (1873). Hij overleed den 22sten Januari 1887 te Monte Carlo.

Whymper, Edward, een Engelsch alpinist, geboren te Londen den 27sten April 1840, werd opgeleid als boutsnijder, legde zich echter met voorliefde op de bergsport toe en besteeg in 1861 als eerste den Mont Pelvoux. Daarop volgden bestijgingen van de Pointe des Ecrins (1864), van den Matterhorn (1865), waarbij drie van zijn tochtgenooten en een gids het leven lieten, en van andere Alpentop¬

pen. In 1867 en 1872 deed hij reizen door het N. W. van Groenland, van 1879—1880 door den Andes van Ecuador en besteeg den Antisana, den Cotopaxi, den Chimborazo (tweemaal) en andere toppen. In 1901 bereisde hij Canada. Hij overleed den 25sten September 1911. Van zijn hand verschenen: „Scrambles amongst the Alps in the years 1860— 1869"(4de druk, 1893), „Travels amongst the great Andes of the Equator" (2 dln., 1892), „Guide to Chamonix and the range of Mont Blanc"(12de druk, 1907) en „Guide to the valley of Zermatt and the Metterhorn" (llde druk, 1907).

Wiarda, Tilemann Dolhias, een Oost-Friesch geschiedschrijver, geboren te Emden den 18den October 1746, studeerde te Duisburg en te Halle in de rechten, werd in 1770 commissaris van justitie te Aurich, in 1781 secretaris van het landschap Oost-Friesland, in 1808 landsyndicus, kort daarna assessor bij het Nederlandsche landdrostambt en in 1811 lid van den raad der prefectuur. Toen OostFriesland in 1814 door de Prui.en werd bezet, stelde men hem op wachtgeld; in 1818 herkreeg hij zijn betrekking als landsyndicus. Van zijn geschriften noemen wij: „Ostfriesische Geschichte" (10 dln., 1791—1817), „Die Landtage der Friesen bei Upstalsboom" (2de druk, 1818), „Altfriesisches Wörterbuch" (1786), „Asegabuch, ein altfriesisches Gesetzbuch der Rüstringer" (1805), „Geschichte und Auslegung des Salischen Gesetzes und der Malbergischen Glossen" (1808), „Lex Frisioirm antiqua" (1811, niet in den handel) en „Willküren der Brockmanner eines Freien Friesischen Volkes." (1820). Hij overleed den 7den Maart 1826 te Aurich.

Wiart, Carton de, een Belgisch staatsman, geboren in'1869, studeerde en promoveerde te Brussel in de rechten en legde zich daarna aan de Sorbonne te Parijs op de rechtsgeneeskunde toe. Sedert 1890 houdt hij zich bezig met sociale kwesties, stichtte o. a. tehuizen voor arbeiders te Brussel en richtte verschillende populaire cursussen op. In 1895 werd hij lid van don gemeenteraad van St. Gilles, in 1896 lid van de Kamer van Afgevaardigen. Hij behoort tot de jong-clericale richting. In 1911 werd hij minister van Justitie. Hij heeft verschillende letterkundige werken geschreven, o.a. een historischen roman over Luik.

Wiborg-, een gouvernement in het grootvorstendom Finland, omvat de Finsche gewesten, die bij de vredesverdragen van Nystad (1721) en Abo (1743) door Zweden zijn afgestaan, benevens het Z. lijk gedeelte van Finsch Karelië, grenst aan de Finsche Golf en aan het Meer van Ladoga en telt op een oppervlakte van 43 055 v. km. (1905) 466 796 inwoners, waarvan 88% Luthersch zijn. Het land is meerendeels bergachtig en bevat vele meren en moerassen. De bodem is rijk aanmineralen; koper en tin worden bij Pitkaranta, ijzererts bij Walimaki gevonden. Verder noemen wij: graniet, porfier, marmer, veldspaat en kwarts. Naast landen boschbouw zijn zaagmolens, papier- en houtstoffabrieken, visscherij en zeevaart als middel van bestaan van beteekenis.

Wiborg (Finsch Wiipuri), de hoofdstad van het gelijknamige Finsche gouvernement en een door onderscheiden forten versterkte vesting, ligt aan de monding van het Saimakanaal in de Transont van de Finsche Golf en aan den spoorweg St. Petersburg-Hebingfors. Het is de zetel van den

Sluiten