Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Geholpen door zijn dochter en een dienstmaagd, ontsnapte de grijsaard op den ll^en Februari 1679 aan den kerker, begaf zich naar Celle naar de hertogin van Brunswijk en overleed aldaar in 1682. Van zijn geschriften vermelden wij: „Mémoire touchant les ambassadeurs et réponse aux ministres publics par le ministre prisonnier" (1676), „L'ambassadeur et ses fonctions" (1671; 2de druk, 1736) en „Advis fidéle aux véritables Hollandais" (1673). Zijn hoofdwerk „Histoire des Provinces Unies des Pays-Bas, depuis le parfait établissement de eet état par la paix de Munster" verscheen na zijn dood. Door tusschenkomst van het Historisch Genootschap te Utrecht verscheen in de 19de eeuw een herdruk (l',e dl., bewerkt door L. Ed. Lenting, 1848—1853, 2de en 3de dl. (j0or C. A. Chais van Buren, 1852— 1868).

Widin (Widdin, Vidin), een distriktshoofdstad in Bulgarije, ligt in een moerassige omgeving, dicht bij de Servische grens op den rechter oever van de Donau. Het is de zetel van een metropoliet en van een prefect, bezit een nieuwe Bulgaarsche kathedraal, een synagoge en vele moskeeën, 3 kazernes, 2 hospitalen, een rijks hoogere burgerschool, een wijnbouwschool, eenige nijverheid (tar baksfabrieken, bierbrouwerijen, brandewijnstokerijen, goud- en zilversmederijen), visscherij en handel en telt (1905) 16 183 inwoners. Widin is het Bononia der Romeinen. In 1801 leed de hospodar Michaël Soetsos hier de nederlaag tegen Pasivan Ogloe. Uit Widin maakte Omar-Pasja in October

1853 door over de Donau te trekken en Kalafat te bezetten een aanvang met de vijandelijkheden tegen de Russen. Op den 6acn Januari en den 19den April

1854 hadden hier veldslagen plaats. In den oorlog van 1877-1878 had Widin een bezetting van 10 000 Turken, werd belegerd door de Roemeniërs en na het sluiten van den vrede door dezen in bezit genomen. Bij het Verdrag van Berlijn (13 Juli 1878) kwam het aan het vorstendom Bulgarije.

Wldmann, Joseph Victor, een Zwitsersch dichter, geboren den 20aten Februari 1842 te Nennowitz in Moravië, studeerde te Heidelberg en te Jena in de godgeleerdheid, werd in 1866 organist en muziekmeester te Liestal, in 1867 hulpleeraar te Thurgau en in 1868 directeur van een meisjesschool te Bern, welke betrekking hij in 1880 nederlegde. Daarna werd hij letterkundig redacteur van den te Bern verschijnenden „Bund". Behalve verschillende operateksten schreef hij „Der geraubte Schleier" (1864), een gedramatiseerd sprookje naar Musaus, de tooneelspelen: „Iphigenie in Delphi" (1865), „Arnold von Brescia" (1867), „Die Königin des Ostens" (1879) en „Onone" (1880), „Jenseits von Gut und Böse" (1893), „Die Muse des Aretin" (1902) en „Der Heilige und die Tiere" (6de druk, 1907) en het episch gedicht „Buddha" (1869). Verder noemen wij o. a.: „Mose und Zipora (1874), „An den Menschen ein Wohlgefallen" (4de druk, 1906), „Rektor Müslins Italienische Reise" (1881), „Die Patrizierin" (2de druk, 1903), „Jung und Alt" (2de druk, 1897), „Maikaierkomödie" (8"e druk, 1907), „Johannes Brahms in Erinnerungen" (2de druk, 1898), benevens de reisverhalen: „Spaziergange in den Alpen" (3de druk, 1896), „Jenseits des Gotthard" (2de druk, 1897), „Sizilien und andre Gegenden Italiens" (1898), „Kalabrien-

Apulien und Streifereien an den oberitalienischen Seen" (1904) en „Du schone Welt" (1907).

Wldmaras, Abdias, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Lippe-Detmold den 13den September 1591, studeerde te Heidelberg en te Marburg, werd predikant te Altorf en vervolgens te Neustadt in de Palts en begaf zich gedurende den Dertigjarigen Oorlog naar de Nederlanden. Hier was hij in de gemeenten te Uitgeest en te Gouda werkzaam en werd in 1644 benoemd tot hoogleeraar te Franeker. Reeds het volgende jaar werd hij beroepen naar Groningen. Hij overleed den 23Btea Mei 1668. Van zijn geschriften vermelden wij: „Disputationes theologicae adversus Judaeos de vero Messia"(1617) en „Htvzag disputationum denatura S. Theologiae" (1646). Ook werkte hij mede aan de statenvertaling van den Bijbel.

Widnes, een fabrieksstad in Lancashire (Engeland), 21 km. boven Liverpool en tegenover Riuicorn gelegen, op den rechter Mersey-oever, is een station aan den London and North-Westernspoorweg, waarvoor hier een groote, ijzeren brug, ter lengte van 457 m. en 23 m. boven den waterspiegel gelegen, over de rivier geslagen is. Het bezit zeepziederijen, kunstmeststoffen- en chemicaliënfabrieken, ijzergieterijen, kopersmelterijen en pletterijen en telt (1901) 28 580 inwoners.

Widnmann, Max, een Duitsch beeldhouwer, geboren den 16den October 1812 te Eichstatt, studeerde te München onder Eberhard en Sckwanthaler en van 1836—1839 te Rome. Te München teruggekeerd, was hij vooral werkzaam op het gebied der monumentale plastiek. In 1849 werd hij aldaar hoogleeraar aan de Academie van Schoone Kunsten. Voor München maakte hij o.a. de standbeelden van Orlando di Lasso, Westenreder, Rauch, de gedenkteekens van Schiller en Goethe en het ruiterstandbeeld van koning Lodewijk I. Gelukkiger dan in zijn monumentale werken, was hij in borstbeelden, kleinere beeldjes enz. Hij overleed den 3den Maart 1895 te München.

Widor, Charles Marie, een Fransch componist, geboren den 22sten Februari 1845 te Lyon, studeerde aldaar en te Brussel onder Félis en Lemmen en werd reeds in 1860 benoemd tot organist in zijn vaderstad, welke betrekking hij in 1869 met die van organist aan de kerk St. Sulpice te Parijs verwisselde. Na dien tijd maakte hij zich als scheppend kunstenaar bekend door 2 symfonieën, 10 orgelsonaten, een klavierconcert, een celloconcert, de symfonie voor koor „La nuit de Walpurgis", het ballet „La Corrigane" (1880), de groote opera's: „Jeanne d' Are" en „Nerto", de comische opera „Maitre Ambros" (1886), „Psaume 112" enz. Voor de piano alleen schreef hij: „Carnaval" (12 stukken), 12 Albumbladen enz., voor zangstem: „Chant séculaire", „Soirées d'été" enz. Ook als muziekcriticus verwierf hij zich onder het pseudoniem Aulétes een zekeren naam. In 1896 werd hij hoogleeraar in de compositieleer aan het conservatorium te Parijs.

Widukind von Korvei, een Duitsch geschiedschrijver uit Saksen, was monnik te Korvei in Westfalen, toen hij door de daden van Otto I er toe gebracht werd om in zijn „Res gestae Saxonicae" (uitgegeven door Freeht, 1532, later door Waitz, 4de druk door Kehr 1904) de geschiedenis der Saksen voor en onder Hendrik I en Otto I te schrijven. Het werk is omstreeks 967 vervaardigd, vol-

Sluiten