Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens een behoorlijk plan bewerkt en geschreven in een Latijn, waarin men duidelijk een navolging van Sallustius opmerkt. Hij overleed omstreeks 1004 te KorveL

Widya Dharas, en Widya dhari (= bezitter van kennis) zijn volgens de theosofen mannelijke en vrouwelijke godheden, die de astrale sfeer tusschen de aarde en den ether bewonen en gemeenschap hebben met de menschen. Door sommigen worden zij als goede geesten, door anderen als listige, kwaaddoende krachten beschouwd.

Wied, vroeger een zelfstandig graafschap in het distrikt Westfalen, behoorde reeds in de llde eeuw aan het oude geslacht van Wied, was sedert het midden der 15de eeuw verdeeld in Wied-Runkel aan den Lahn in het voormalig hertogdom Nassau, en het veel grootere Wied-Neuwied. Deze landen verloren in 1806 hun zelfstandigheid en werden door het Weener congres aan Pruisen en Nassau toegevoegd. De hoofdstad is Neuwied.

Wied, een oud dynastiek geslacht, dat zijn naam aan het graafschap Wied ontleent, wordt met Siegfried III van Runkei en Westerburg in 1226 voor het eerst in oorkonden genoemd. Door zijn huwelijk met Anastasia, de dochter van Johann II van lsenburg Wied werd Dielrich IV van Runkei de stichter van het tegenwoordig huis Wied. Na den dood van graaf Drietrich (1698) ontstonden de beide lijnen Wied Runkei en Wied-Neuwied. Eerstgenoemde bezat het graafschap aan den Lahn en werd in 1791 in den vorstenstand verheven, maar stierf na het kinderloos overlijden van Karl Ludwig Friedrich Alexander (9 Maart 1824) en van zijn broeder en erfgenaam Friedrich Ludwig (28 April 1824) uit, waarna de jongere lijn onder den naam van Wied alle genoemde landen onder zich vereenigde. Onder Friedrich Alexander werd zij in 1785 in den vorstenstand verheven. Zijn achterkleinzoon, Hermann su Wied, geboren den 22sten Mei 1814 en overleden den 5den Maart 1864, maakte zich bekend als wijsgeerig schrijver. Deze werd opgevolgd door zijn zoon prins Wilhelm zu Wied, geboren den 22sten Augustus 1845, die den 18den Juli 1871 in het huwelijk trad met prinses Marie der Nederlanden (geboren den 4den Juli 1841, f 22 Juni 1910), een dochter van prins Frederik. Van 1897—1903 was hij voorzitter van het Pruisische Heerenhuis. Zijn oudste zuster is koningin Elizabeth van Roemenië. Hij overleed den 22ston October 1907 te Neuwied en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Friedrich. Deze werd geboren den 27aten Juni 1872 en trad in 1898 in het huwelijk met prinses Pauline van Württemberg.

Wied, Gustav, een Deensch schrijver, geboren den 6dcn Maart 1858 te Nakskov, was eerst boekhandelaarsbediende, studeerde vervolgens in de taaien letterkunde, waarna hij zich spoedig geheel aan de schrijversloopbaan wijdde. In den eersten tijd schreef hij schetsen, waarvan één hem wegens haar inhoud hechtenis bezorgde. Zijn eerste grootere werk was het treurspel „En Ljemkomst" (1889); daarop volgde een reeks humoristische vertellingen, zooals: „Silhuetter" (1891), „Barnlige Sjoele" (1893), „Menneskens Born" (2 dln., 1894), „Ungdomshistorier" (1895), „Lystige Historier" (1896), „Sloegten" (1898), „Livsens Ondskab" (3de druk, 1903) „To Kroner of halvtreds' (1901) en „Knagsted" (1902). Verder schreef hij eenige zoogenaamd satirische spelen: „En Bryllupsnat" (1892), „Ero

tik" (1896), „Fire Satyrspil" (1898) en „Det svage Kon" (5de druk, 1901), de toonelspelen: „Den gamle Pavillon" (1902) en „Hendes gamle Naade" (1904) en de blijspelen: „Tummelumsen" (1901) en „Et Opgor" (1904). Wied is een meester in den geestigen dialoog: zijn scherts is grof maar ook vol gemoedelijkheid en humor. Hij heeft boeren- en kleine stadstypen geteekend, welke volkomen echt en overweldigend komisch aandoen. Zijn uitbeelding van meer samengestelde karakters gaat echter dikwijls in caricatuur over.

Wiedemann, Fetdinand Johann, een Russisch taalkundige, geboren te Hapsal in Esthland den 18den (30stci>) Maart 1805. studeerde te Dorpat, werd in 1830 leeraar aan het gymnasium te Mitau en in 1837 aan dat te Reval. ïn 1857 werd hij lid van de Keizerlijke Academie van Wetenschappen te St. Petersburg. Van zijn geschriften vermelden wij: „Versuch einer Grammatik der syrjanischen Sprache" (1847), „Versuch einer Grammatik der tscheremissischen Sprache" (1847), „Grammatik der wotjakischen Sprache" (1851), „Livische Grammatik nebst Sprachproben und livisch-deutschem und deutsch-livischem Wörterbuch" (1861), „Versuch über den werro-esthnischen Dialekt"(1864), „Grammatik der ersa-mordwinischen Sprache1' (1165), „Esthnisch deutsches Wörterbuch" (2de druk door Hurt, 1891—1893), „Ueber die Nationalitat und Sprache der jetzt ausgestorbenen Kreewinen in Kurland" (1871), „Grammatik der esthnischen Sprache" (1875), „Syrjanisch-deutsches Wörterbuch'" (1880) en „Grammatik der syrjanischen Sprache" (1884). Met E. Weber publiceerde hij ook een „Flora von Esth-, Liv- und Kurland" (1852). Hij overleed den 298ten December 1887 te St. Petersburg.

Wiedemann, Guslav, een Duitsch natuurkundige, geboren den 2den October 1826 te Berlijn, studeerde aldaar, vestigde er zich in 1851 als privaatdocent en werd in 1854 tot professor in de physica te Bazel benoemd. In 1863 volgde zijn benoeming als hoogleeraar aan de polytechnische school te Brunswijk, in 1866 te Karslruhe en in 1871 in de natuurkundige scheikunde te Leipzig, waar hem in 1887 het hoogleraarschap in de natuurkunde werd opgedragen. Zijn onderzoekingen bewogen zich voornamelijk op het gebied dor electriciteit en van het magnetisme. „Die Lehre vom Galvanismus und Elektromagnetismus", als 3de druk verschenen onder den titel „Die Lehre von der Electricitat" (4de druk, 4 dln., 1893—1898). Van af 1877 voerde hij de redactie van de „Annalen der Physik und Chemie", waaraan hij sedert 1878 jaarlijks een deel „Beiblatter" toevoegde. Hij overleed den 23sten Maart 1899 te Leipzig.

Wiedemann, Alfred, een Duitsch Egyptoloog, een zoon van den voorgaande, geboren den 18den Juli 1856 te Berlijn, werd in 1892 buitengewoon hoogleeraar in de Egyptologie te Bonn en schreef: „Geschichte Agyptens von Psammetichl. bis Alexander den Groszen" (1880), „Agyptische Geschichte" (1884, supplement, 1888), „Herodots zweites Buch" (1890), „Die Religion der alten Agypter" (1890), „Geschichte von Alt Agypten" (1891) en „The ancient Egyptian doctrine of the immortality of the soul" (1895), benevens eenige kleinere, populaire verhandelingen („Die Unterhaltungslitteratur der alten Agypter", „Altagyptische Sagen und Mar-

Sluiten