Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chen" enz. in het tijdschrift „Der alte Oriënt" (1903—1906).

Wiedersheim, Robert, een Duitsch ontleedkundige, geboren te Nürtiiigen in Württemberg den 21s,en April 1848, studeerde te Lausanne, Tubingen, Würzburg en Freiburg, werd in 1873 prosector te Würzburg en in 1876 te Freiburg,waar hij in 1877 werd benoemd tot buitengewoon en in 1883 tot gewoon hoogleeraar in de ontleedkunde en tot directeur van het instituut voor ontleedkunde en vergelijkende ontleedkunde. Behalve talrijke verhandelingen over de vergelijkende ontleedkunde der visschen, amfibieën en kruipende dieren, schreef hij: „Lehrbuch der vergleichenden Anatomie der Wirbeltiere" (2de druk, 2 dln., 1886), „Grundrisz der vergleichenden Anatomie der Wirbeltiere", als 5;' druk verschenen onder den titel „Vergleichende Anatomie der Wirbeltiere" (6c,e druk, 1906), „Der Ban des Menschen als Zeugnis für seine Vergangenheit"(4de druk, 1908), „Das Gliedmaszenskelett der Wirbeltiere" (1892) en „Einführung in die vergleichende Anatomie der Wirbeltiere" (1907). Verder bewerkte hij de derde afdeeling van Ecker's „Anatomie des Frosches" (1882).

Wiegbrug-. Zie Brug.

Wieg-edrukken of Incunabelen (Latijn incunabula = wieg) noemt men de voortbrengselen van het oudste tijdperk der boekdrukkunst. Sommigen rekenen daartoe alleen de werken vóór 1600 verschenen; men schat hun aantal op 20 000. Anderen rekenen er ook later verschenen werken toe. Intusschen stelt men dan als voorwaarde, dat zij het eerste werk moeten zijn, dat ter plaatse in druk verscheen. Het meest gezocht zijn de eerste drukken uit den tijd kort na de uitvinding der boekdrukkunst; de eerste drukken van een land of stad; de voortbrengselen van zulke boekdrukkers, van welke men met zekerheid weet, dat zij een kleine oplage in gereedheid brachten; perkamentdrukken uit het laatst der 16de eeuw; werken met kunstig versierde of ongewone drukletters; eerste uitgaven (ediiiones principes) van Grieksche en Latijnsche klassieken; werken van beroemde drukkerijen; eerste drukken met hout- of kopergravures enz.

Wat betreft het materiaal, drukte men aanvankelijk op perkament, later nagenoeg alleen op dik, helder papier. Het watermerk dient nu en dan om te bepalen, in welken tijd het werk gedr.ikt is. Ook bezigde men in den beginne alleen het folioformaat; het eerste kwartoformaat dagteekent van 1467, terwijl het octavo- en duodecimoformaat eerst te voorschijn treedt in 1474, en het kleinste formaat in 1474. Voor de oudste drukwerken gebruikte men Gotische letters; eerst later werden de ronde Romeinsche letters vooral in Italië algemeen. De eerste Grieksche letters, die slechts enkel voorkwamen, waren in hout gesneden. Het eerste Grieksche boek, met gegoten letters gedrukt, is de „Grammatica graeca" (Milaan, 1476), van Lascaris. De hoofdletters worden in den regel niet gedrukt, maar later uit de hand met kleuren geteekend. De oudste drukwerken hebben geen doorloopende pagineering. Eerst nummerde men de vellen en daarna voerde men de folieering in; pagineering werd eerst veel later toegepast. Men bezigde de Romeinsche en eerst sedert 1470, zij het in gebrekkigen vorm, de Arabische cijferteekens. Titelbladen zoekt men in de oudste wiegedrukken tevergeefs; het eerste

verk met een titelblad moet in 1485 door Jenson te Venetië gedrukt zijn. De plaats waar het boek ;edrukt was, en de tijd, waarop zulks geschiedde, verd gewoonlijk vermeld aan het einde. Als eerste llustraties moeten de groote initialen in het „Psalterium" van Fust en Schöffer (1457) beschouwd worlen. Prentjes ter illustreering werden het eerst op;enomen in het fabelboek „Edelstein" van Bener, ii 1461 door Pfister te Bamberg gedrukt. In den regel schijnt de oplaag beneden 300 exemplaren te rijn gebleven. Gedurende het afdrukken werden nog vele correcties aangebracht. Vandaar de paralleldrukken, welke alleen in sommige onderdeelen van elkander verschillen. De prijzen der wiegedrukken loopen zeer uiteen. Van eenige honderden gulilens stijgen zij tot 59 400 gld. voor een exemplaar van het „Psalterium" van 1459 op de auctie der Lyston Park Library.

Wiegmann, Rudolf, een Duitsch architect, geboren den 4del1 April 1804 te Adensen bij Hannover, bezocht de universiteit te Göttingen, vertoefde daarop 4 jaar in Italië en schreef een paar opstellen over antieke muurschildering, welke hem in een pen'nestrijd wikkelden met Klenze. In 1835 verhuisde hij van Hannover naar Düsseldorf, waar hij in 1839 professor in de bouwkunst aan de academie en in 1846 secretaris van deze instelling werd. Hij overleed in 1865. Van zijn kunstwerken vermelden wij: een kapel bij Lohausen en vooral de restauratie van de St. Salvatorkerk te Duisburg. Ook leverde hij teekeningen in waterverf en schilderijen in olieverf, maar vooral heeft hij zich verdienstelijk gemaakt door zijn geschriften, van welke wij noemen: „Ueber die Konstruktion von Kettenbrücken" (1839), „Ueber den Ursprang des Spitzbogenstils" (1842), „Grundzüge der Lehre von der Perspective" (1864; 2de dr.ik, 1877) en „Geschichte der Königlichen Kunstakademie zu Düsseldorf' (1864).

Zijn echtgenoote Marie Hancke, geboren den 7den November 1826 te Silberberg in Silezië was een verdienstelijke schilderes. Haar stukken onderscheiden zich door een echt vrouwelijke opvatting, door gevoel en door een uitmuntend koloriet. Van deze noemen wij: „De Elfen" naar ühland (1847), „Damajanti" naar Rückert (1850), „De twee grootmoeders" en „Het wederzien". Zij leverde ook portretten.

Wleland (Oud-Hoogduitsch Wiolant, Angelsaksisch Veland, Oud-Noorsch Volundr) is de naam van een kunstvaardigen smid uit de Duitsche heldensage, die oorspronkelijk in het Germaansche volksgeloof als halfgod optreedt en met Vulcanus en Daedalos kan worden vergeleken. Hij was de zoon van den zeereus Wado en eerst leerling van den smid Mimir en vervolgens van de dwergen. Daarna woonde hij met zijn beide broeders Eigel en Schlagfidr eenigen tijd te Ulfdalir, waar zij drie zwanenjonkvrouwen aantroffen. Met haar woonden zij samen, totdat deze na verloop van 7 jaren wegvlogen, om als Walkyriën dienst te doen op het slagveld. Daarop begaf Wiehnd zich naar koning Nidung en overwon diens smid Aemalias iti een wedstrijd met het zwaard Mimung. Nidung liet hem lam maken, maar Wieland, nam wraak door de beide zonen van den koning te dooden en diens dochter Baduhild te onteeren. Deze baarde Wittich, die ook in de Duitsche heldensage optreedt.

Sluiten